Het
geduld van Job
Charles Ducal -
°
Leuven, 3 april 1952
licentiaat Germaanse filologie
dichter
en schrijver
La démocratie
et
la liberté
ont
besoin d'espace
Abdallah
Baroudi
- I -
Bijna
was ik thuis gebleven.
"Irak
bezoeken als gast van het regime, dat is nazi-Duitsland bezoeken op uitnodiging van Hitler. Je weet toch,
Charles, dat Saddam een massamoordenaar is?"
"Maak
je maar geen illusies, jongen! Je wordt gebruikt voor propagandadoeleinden. De lui die je rondleiden werken
allemaal voor de geheime dienst."
"Denk
eraan: Irak heeft het meest verwerpelijke regime ter wereld, werkelijk het meest verwerpelijke. De foute
bedoelingen van Amerika doen daar niets van af. De vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden niet."
"Als
je dan toch gaat, neem dan vooraf contact op met Iraakse dissidenten in Londen of Parijs. Dan ben je tenminste
een béétje gewapend tegen de propaganda. En alles zorgvuldig double‑checken. Niks zomaar
aannemen."
Het
gevolg van zoveel waarschuwing en goede raad was dat ik aan niemand nog durfde vertellen dat ik naar Irak
ging, in de hoop als een dief in de nacht te kunnen vertrekken en even geruisloos terug te keren. Aan mijn
moeder vertelde ik dat ik naar Babylon ging, in Mesopotamië.
Café Rejean
Januari
1991. In Café Rejean, waar ik 's middags met enkele collega's van de school ga eten, staat de televisie aan.
Speciale editie van het journaal. Irak wordt gebombardeerd. De vaste tooghangers zitten, hun rug naar
Bernadette, te kijken. De mannen van de post houden hun kaartspel in de zak. Er wordt nauwelijks iets gezegd.
De sfeer is gespannen. Ik kijk mee en kan het niet ontkennen: ik deel de opluchting. Alles verloopt naar wens.
Amerika vernietigt Iraks gevreesd militair potentieel. De fanatieke dictator kan nauwelijks reageren.
Schwarzkopf geeft hem een lesje. "Juist als in vijfenveertig," zegt iemand, "den Amerikaan lost
het op."
Ook
de volgende dagen blijft het nieuws geruststellend. De Amerikanen zijn superieur. Hun precisiebombardementen
schakelen steeds meer militaire installaties uit. Drieduizend sortees per dag. Het is hoopgevend. Misschien is
alles wel vernield voor Saddam de kans krijgt Israël en Saoedi‑Arabië nucleair te bestoken. Maar niet
te vroeg juichen. Saddam is sluw, wat heeft hij nog in petto? Professor De Vos, specialist krijgskunde en gast
in de studio, blijft nuchter. Op een maquette van het oorlogsgebied maakt hij de kijker duidelijk welke
militaire scenario's nog mogelijk zijn.
Van
vijandige zijde valt weinig imponerends te melden: enkele slecht gerichte scuds en wat retoriek over Iraakse
overwinningen en de moeder van alle oorlogen. In Amman betuigen fanatieke Palestijnen hun steun aan Saddam. In
Tel‑Aviv trekken de Israëlische burgers gedisciplineerd naar de schuilkelders. Hun regering beheerst
zich en schiet niet terug. Schwarzkopf maakt een grapje over Saddams militaire onkunde. De persmensen lachen.
De bange Belg, die kort tevoren nog suiker en spaghetti liep te hamsteren, lacht mee. Hij ziet het wel zitten.
In Café Rejean halen de mannen van de post hun kaarten weer boven. De vaste tooghangers draaien zich om en
kijken weer naar Bernadette.
Als
op een dag in Bagdad een bom op een schuilkelder valt, schrikt de publieke opinie nog even op. Op televisie
verschijnen huilende Iraakse vrouwen. Er zijn honderden doden. Een vergissing van de Amerikanen? Of een
sinistere propagandastunt van Saddam? Hoe dan ook, een paar dagen zijn Iraakse tranen wereldnieuws. Maar ook
aan de andere zijde is er verdriet. De lijkkisten van de Amerikaanse gesneuvelden arriveren in het homeland.
"Wij treuren, maar zijn trots op hen. Zij deden hun plicht." Prettiger zijn de beelden enkele
maanden later, als de overwinnaars door de straten van New York paraderen en bedolven worden onder gejuich en
confetti. Amerika viert feest. Het wordt een zwoele nacht. Negen maanden later bericht Anna Nijsters, zelf met
een spruit in de armen, vanuit Washington over de babyboom onder de teruggekeerden. Vertederend. De oorlog is
verleden tijd. Back to normal. Nog
wat later komt Schwarzkopf naar België. Hij wordt door Mark Eyskens gefeliciteerd en met een medaille
omhangen. Eind goed al goed.
Toen
Eyskens zijn handen vuil maakte, wist ik al beter. Voor wie ze wou lezen, was er in België genoeg informatie
te vinden om te weten wat de Golfoorlog was: een misdaad om olie. En toen Anna Nijsters de voortplanting van
Amerikaans kanonnevlees stond aan te prijzen, wist ik al dat in Bagdad kinderen stierven door het embargo.
Buiten beeld. Ik ergerde mij blauw aan het brtn‑journaal
en kon niet begrijpen hoe progressieve vrienden nog hun stem konden geven aan de SP, een partij die de oorlog
van voren tot achteren had gesteund. Ik had mijn keuze gemaakt. Er woonden mensen op de maquette. Alleen, ik
kende hen niet. Zij waren letters in een weekblad of alarmkreten van dokter Lieve Dehaes in Zeker Weten.
Het pakte mij. Een paar uur. Daarna zocht ik verder naar mijn rijmwoord.
Nu,
drie jaar later, zit ik te dubben voor dit papier. Ik moet een reisverslag maken, maar durf nauwelijks te
schrijven. Goed, ik was in Irak, maar twee weken is niets. Je ziet te weinig, je begrijpt te weinig, je praat
met te weinig mensen. Je weet bovendien niet wat je niet ziet en niet hoort. Je ziet geen
folterkamers. Je praat niet met slachtoffers van de repressie. Je weet niet wat er gemompeld wordt achter
gesloten deuren.
Bovendien
voel ik mij op de vingers gekeken. Niet alleen door de argwaan van vrienden en bekenden. Vanmorgen zat een
anonieme brief in de bus, opgesteld in naam van driehonderd Iraki's in ballingschap. "Arrêtez votre main
avant d'écrire et demandez‑vous ce que vous devez faire, que votre témoignage ne soit pas le paiement
d'un voyage soigneusement organisé."
Dit
wordt glad ijs. Toch zijn er, alle dissidenten ten spijt, een paar dingen die ik met klem wil beweren. Ten
eerste: de grootste zorg van de Iraakse bevolking is niet Saddam, maar het embargo. Daar konden we moeilijk
naast kijken. Ten tweede: Irak is een informatieprobleem. Voor het Westen is het een land dat geterroriseerd
wordt door een megalomane, gevaarlijke tiran. De vraag is gewettigd hoeveel mythevorming en desinformatie op
dat beeld zitten. In Bagdad hoorde ik beweren dat de meerderheid van het volk achter Saddam staat. Ik heb
bewust ook die klok willen horen. Kwestie van evenwicht. Ten derde: ik heb soms heimwee. "Je hebt je
laten verleiden", grapt Bob van Laerhoven en ik vrees dat hij gelijk heeft. Waarschuwingen tegen
propaganda helpen nu eenmaal niet als iemand uit eigen leven vertelt. Als ik aan Nasra en de haren denk, maakt
het embargo mij woedend.
Nasra
Nasra
el Sadoen is schrijfster. In de el Sadoen‑straat, in het centrum van Bagdad, staat het standbeeld van
haar grootvader, Iraaks premier onder de Britten, die zich uit wanhoop om zijn positie tussen volk en
overheerser een kogel door het hoofd joeg. El Sadoen is de naam van een rijk geslacht, dat veel gronden bezat
in de zuidelijke provincie Basra en het huidige Koeweit. In haar kinderjaren leefde Nasra op een kasteel,
omringd door hutten. Haar ouders plaatsten haar op kostschool in Bagdad, bij katholieke nonnen. Ze leerde er
keurig Frans en Engels. Arabisch was er verboden. Als jonge vrouw studeerde en leefde zij een tijdlang in
Frankrijk. Voor de oorlog werkte zij als free‑lance vertaalster, schreef af en toe een artikel en runde
een kleine privé‑uitgeverij en een boekhandel. Zij publiceerde twee romans. In 1990 nam zij het
initiatief voor de vredesboot Ibn Chaldoen, waarop 242 vrouwen en kinderen met voedsel en medicijnen
naar Irak voeren als protest tegen het embargo. De boot werd door Amerikaanse mariniers brutaal geënterd.
Voor dit initiatief werd zij gedecoreerd door de president.
Sinds
januari werkt Nasra op het Um-Almaarik Research Centre, onder het ministerie van Informatie en Cultuur. Voor
zes maanden. Langer bindt ze zich niet. Het Centrum wil een bibliotheek en documentatiecentrum over de
Golfoorlog worden, met materiaal van over heel de wereld. Nasra wil o.a. Chomsky's artikels over de oorlog
vertalen. Eerder al vertaalde zij Attention Medias! van Michel Collon.
Onze
reis werd door haar opgezet. Zij maakte het ministerie van Informatie en Cultuur warm voor het project en
zocht onze contactpersonen. Met grote zorgvuldigheid. "Wij zijn echt trots op onze geheime dienst",
bekent ze. "Jullie worden geschaduwd door onze beste dichters, dokters, landbouwspecialisten, economen en
ingenieurs. Hoed je dus maar!"
Oorlog
Het
manuscript van Nasra's derde roman was bijna klaar, toen de bombardementen begonnen. Sindsdien is ze geen
letter opgeschoten. Na de oorlog haalde ze haar klad uit de la om er de laatste hand aan te leggen. Maar de
tekst was dood. De oorlog had alles veranderd.
"Toen
ik negen was, zat ik op internaat aan de oever van de Tigris. Vanuit mijn kamer zag ik een brug bouwen. Dag
aan dag stond ik voor het raam en volgde het werk. Elke fase van de constructie grifte zich in mijn geheugen.
Nu nog herinner ik me de gezichten van sommige werklui. Die brug is mijn brug. In het begin van de oorlog
sloeg een bom een gat in het wegdek. Ik ging kijken. De schade was gering, één strook was nog berijdbaar.
Maar het deed pijn, het was als een wonde. Een paar dagen later hoorde ik via de radio dat de brug opnieuw
getroffen was. Ik reed er met de bus naartoe. Ik stond op de oever en tussen mij en de brug was een groot gat.
Een deel was ingestort. Het andere deel stak over het water, als een stomp na een amputatie. Ik huilde. Toen
kwamen van de overkant mensen over de brug, tot aan de kloof. Ik begon te roepen, zij riepen terug. Over de
kloof begonnen wij met elkaar te spreken. Wij waren onbekenden, maar de oorlog bracht ons samen. Hoe noem je
dit? Ik noem dit liefde."
Zij
noemt dit liefde. Ik zou het nooit durven. Ik ben een Vlaming, bang voor pathos en zuinig met grote woorden.
Zij is Iraakse. De maat van haar taal is anders. De maat van haar leven is anders.
"Een
bombardement is angst, verschrikkelijke angst. Je zit in je huis met je zoon in je armen, je praat en praat om
de paniek voor te blijven. 'Waarom ben je bang van de dood, jongen? De dood is niets. Je stapt uit de wereld
en je gaat naar een andere wereld. Doodgaan is heel gewoon, jongen. Alle mensen gaan dood. Wees maar niet
bang. Het is alleen verschrikkelijk als je in je eentje moet sterven. Ik zou het vreselijk vinden als ik jou
zou verliezen. Daarom blijven we samen. Als we doodgaan, gaan we samen dood.' Praten, praten, praten om het
beven in je armen te bedaren en je eigen angst eronder te houden."
Hoe
moet ik het mij voorstellen, het leven onder de gevechtsvliegtuigen? Geen elektriciteit, geen telefoon. Het
eten dat bederft in koelkasten en vriezers. De stank uit de leidingen. Het binnendringen van insekten en
muizen. En vooral, elke avond opnieuw, het hatelijke geluid van de vliegtuigen. Als dichtbij de bommen
inslaan, trillen de muren. Voorwerpen vallen om, boeken vallen van de planken. Je slaapt met zessen in
dezelfde kamer. Om samen te zijn voor het geval dat... Maar je slaapt niet, je ligt te luisteren en wacht.
Embargo
Nasra's
familie kwam de bombardementen heelhuids door. Haar moeder stierf enkele maanden later. Medicijnen voor haar
zwakke hart bleken onvindbaar. Zij stierf aan het embargo.
Vanuit
het Westen ziet dat embargo er vrij proper uit. In de vn‑resoluties
heet het trouwens niet embargo, maar "sanctions" en "prohibitions". Tegen Saddam
natuurlijk. Die moet gestraft voor de inval in Koeweit en de repressie van de Koerden. Die moet gecontroleerd
en gekortwiekt, de gek. Anders gooit hij in de kortste keren een atoombom op Tel‑Aviv. Het embargo is
bedoeld om remilitarisering van Irak te beletten. Om een nieuw conflict te vermijden. In dienst van de vrede
dus. Mooi zo.
En
de bevolking? Geen zorg, alstublieft. Ook het humanitaire is, zoals geweten, een permanente bekommernis van de
internationale gemeenschap. Daarom is zij zo wijs geweest voedsel en medicijnen uit de resoluties te laten.
Opdat de kinderen kunnen eten en de grootmoeders hun pilletjes krijgen.
En
het werkt. Terug in België word ik door de vpro‑radio
uitgenodigd voor een gesprek over mijn Irakreis. Ik wijs op de gevolgen van het embargo: ondervoeding en
gebrek aan medicijnen. De overkant riposteert prompt: "Voor zover ik weet zijn voedsel en medicijnen
uitgesloten van het embargo, maar is het probleem dat het regime het beschikbare geld bij voorkeur niet
gebruikt om voedsel en medicijnen te kopen." Het werkt perfect.
De
Iraakse regering zorgt voor rantsoenbonnen. Zij trekt de lonen op. Zij start grootse landbouwprojecten om zo
snel mogelijk meer voedsel te kunnen produceren. Zij buigt voor de resoluties, al vindt ze die onaanvaardbaar,
en leidt het vn‑inspectieteam, op
zoek naar nucleaire en chemische wapens, knarsetandend langs melkfabrieken en landbouwinstituten om zo snel
mogelijk van het embargo verlost te zijn. De regering de schuld geven voor de penibele voedselsituatie is
absurd. Die situatie is een gevolg van het embargo en van niks anders. Wie een economie blokkeert in haar in‑
en uitvoer, treft een land in zijn bestaansmiddelen. Voedsel dient gekocht, vooral in een land dat voor de
oorlog voor 70% importgoederen at. Om te kopen heb je geldbronnen nodig en precies die zijn door het embargo
vrijwel drooggelegd. Bovendien is Iraaks geld niks meer waard.
Nasra's
gezin (vier personen) had in 1990 een inkomen van 500 dinar per maand, ongeveer 1.600 dollar. Daarmee kon het
zich een redelijke welstand aanschaffen: niet alleen voedsel en een woning met modern comfort, maar ook een
wagen, af en toe nieuwe kleren, boeken, cd's,
uitjes naar bioscoop en restaurant, enzovoort. In 1994 heeft het gezin een inkomen van 3.000 dinar per maand,
dat is minder dan 10 dollar. Om fatsoenlijk te eten heeft het plusminus 12.000 dinar nodig. U begrijpt.
Embargo
betekent gebrek. Gebrek aan koopkracht, gebrek aan medicijnen, gebrek aan allerlei goederen en materialen. Het
betekent: het combineren van twee of drie jobs om aan voldoende geld te raken. Het betekent: speculatie,
woekerprijzen, zwarte markt. Het betekent: uitgeputte en gestresseerde volwassenen, bedelende kinderen,
ondervoede kinderen, stervende kinderen. Het betekent dagelijks duizenden persoonlijke drama's die, kundig
verfilmd, het westerse hart even hard zouden raken als de Roemeense weeskindjes of de couveusespookjes van
Koeweit-City.
"Goed,
maar..." ‑ we zijn opnieuw bij de vpro
‑ "zijn die mensen er slechter aan toe dan bijvoorbeeld de mensen in Algerije? Dit was je eerste
reis naar de Derde Wereld. Natuurlijk schrik je je rot. Je hebt geen vergelijkingspunten." Het is waar:
ik kan niet vergelijken. Ik sla me dus op de borst en schaam me voor mijn natte ogen in het Saddam's Children
Teaching Hospital. "This child is dying. It is wasted, completely wasted." Erg ja, maar er zal wel
erger zijn. Een mens moet zuinig zijn op zijn tranen.
Wie
wel kunnen vergelijken zijn de Iraki's. Onder het kolonialisme en neo‑kolonialisme was hun land
onderontwikkeld. Onder Saddam maakte het een opmerkelijke welvaartssprong. In 1990, na twintig jaar
schrikbewind, was het inzake gezondheidszorg en voedselvoorziening "fast approaching a standard
comparable to that of some European countries", schrijft het vn‑rapport
van Sadruddin Aga Chan (1991). In 1994, na drie jaar westerse vastberadenheid, wordt er weer honger geleden en
sterven er mensen door gebrek aan medische hulp. Zou het echt aan Saddam liggen?
Dictator
Hoe
weet je dat je niet beduveld wordt? Hoe weet je dat wat je te zien krijgt relevant is en geen netjes
geprepareerd theater? Na drie dagen Bagdad is het me duidelijk dat ik hier niet zozeer ben om te zien
als wel om te praten. Om te achterhalen wat een ziekenhuis, een schuilkelder, een oorlogsmonument of
een museum mij niet kunnen vertellen. Gevoelens, motieven, verklaringen, standpunten.
Ik
heb Irak in de eerste plaats leren kennen door discussie. Vooral met Nasra, een intellectuele zoals er in
Vlaanderen geen tien rondlopen. Haar belezenheid is enorm. De Europese politiek en cultuur kent zij haast even
goed als de Arabische. Van religieuze of politieke dogma's heeft zij geen last. Maar haar meningen zijn
uitgesproken. Over het leven in een dictatuur bijvoorbeeld.
Begrippen
als dictatuur en democratie zijn op westerse maat gesneden, vindt Nasra. "Handige retorische wapens voor
jullie mediacampagnes. Nasser was een dictator. Ortega was een dictator. Castro is een dictator. Wie opstaat
tegen het imperialisme is een dictator, een schender van de mensenrechten, een vijand van de democratie. In
naam van de retoriek over vrijheid en meerpartijenstelsel moet Cuba zijn socialisme begraven. Voor Saoedi‑Arabië
en Koeweit steekt het zo nauw niet. Dat zijn bondgenoten. Voor Turkije, Israël, Peru en Guatemala ook niet.
Naast luchtraids, folteringen en doodseskaders organiseren zij regelmatig verkiezingscarnavals. Zij zijn
formeel in orde."
"Voor
de meeste Iraki's is Saddam geen dictator, maar een leider. Zij wegen hem af tegen koning Fahd van Saoedi‑Arabië
of de el‑Sabahclan in Koeweit, die hun land schaamteloos verkopen voor eigen profijt. In Saddam zien zij
iemand die het voor hen opneemt, een antwoord op eeuwen vernedering door kolonialisme en imperialisme. Dat is
zijn populariteit. De Baathpartij nationaliseerde de olie in 1972. Daarmee heeft ze Irak terug aan de Iraki's
gegeven. Dat is meer dan retoriek. Dat is goede en goedkope geneeskunde, zuiver water over heel het land,
gesubsidieerde prijzen voor de noodzakelijke levensmiddelen, sociale woningbouw, gratis onderwijs, gratis
melkbedeling in de scholen... Welke democratie à la américaine zou dat gerealiseerd hebben?"
"Heeft
de bevolking in de vs reële inspraak in
het beleid? Alleen in schijn. Wie het politiek systeem een beetje analyseert, merkt algauw dat het land
bestuurd wordt door financiële en industriële lobby's, van wie de politici en belangrijkste media de
waterdragers zijn. Is dat het model dat wij moeten overnemen? Het Iraakse systeem is verre van ideaal, maar op
dit moment is het het enig mogelijke. Onze keuze gaat niet tussen democratie en dictatuur, maar tussen eenheid
en burgeroorlog. De opstanden na de oorlog waren minder spontaan dan je denkt. Amerika wil niets liever dan
een verdeeld en krachteloos Irak. Saddam is onze eenheid. Hij is het cement van de natie. Heel onze
infrastructuur is naar de bliksem geschoten, maar we hebben ze hersteld. Heel onze samenleving is door het
embargo ondermijnd, maar ze blijft functioneren. Denk je dat dat zou kunnen zonder sterke leiding? Er is in
Irak op dit moment gewoon geen ruimte voor jullie democratisch spel. Wij hebben nu echt geen behoefte aan een La
Prensa en een pro‑Amerikaanse partij, dank u."
Aan
de andere kant hecht de Baathleiding veel belang aan wat leeft onder het volk, beweert Nasra. "De Iraki's
zijn minder onmondig dan jullie denken. Er heerst behoorlijk wat bureaucratie en minachting voor de gewone man
in ministeries en partijorganen, maar dat wordt niet zomaar geslikt. Kranten publiceren regelmatig kritieken
en klachten. Op die manier staan verantwoordelijken onder druk en dat is maar goed ook."
Hmm.
Moestafa, haar man, leest mijn ongeloof. Hij verdwijnt en komt even later terug met een krant en een
ingelijste foto. "Hier," zegt hij, "een artikel waarin ik de ministers van Handel en Financiën
aan hun vel zit wegens hun klungelige bestrijding van de speculatie. Ik heb er zo verschillende geschreven.
Ben ik daarvoor de vingers afgehakt? Nee, op een dag ben ik bij de president geroepen om mijn standpunt toe te
lichten. Kijk maar." Op de foto poseert hij naast Saddam.
Foto's
Van
foto's gesproken. In een populair grapje wordt de bevolking van Irak op 36 miljoen geschat: 18 miljoen Iraki's
en 18 miljoen portretten van Saddam Hoessein. In alle straten, op alle pleinen, aan openbare gebouwen, in
hotels, restaurants, winkels, scholen en ziekenhuizen: overal stoot je op Saddam. Als militair, als gentleman,
als vrome moslim, als kindervriend, biddend, lachend, werkend, rustend, rokend, wuivend, de blik op minzaam,
de blik op vastberaden, de blik op oneindig en ga zo maar door. In Kerbala vertelt een imam ons dat Saddam
rechtstreeks afstamt van de beroemde imam Hussein, die in 680 sneuvelde, "fighting for justice", en
wiens graf in Kerbala een van de belangrijkste sjiietische heiligdommen is. Saddams naam prijkt op de stenen
van het heropgebouwde Babylon als de Nebukadnezar van de twintigste eeuw. Boven Babylon wordt op een heuvel
een glorieus paleis voor hem gebouwd. Wat is dit alles anders dan een bedenkelijk huwelijk van vergoddelijking
en megalomanie?
Nasra:
"Jullie vinden de foto's van Saddam ergerlijk? Als ik in Brussel kom en ik zie sommige reclameborden, ben
ik gechoqueerd. Ik begrijp de cultuur niet die een vrouw uitvergroot en halfnaakt aan de gevels hangt, enkel
als prikkel om iets te kopen. Ik voel mij erdoor beledigd. Maar ik zwijg. Ik merk immers dat het voor jullie
heel gewoon is, dus denk ik: het is een andere mentaliteit. Voor ons zijn foto's van Saddam in de straten heel
gewoon. Het is een uiting van onze mentaliteit, onze cultuur. Publieke afbeeldingen van leiders vind je in
alle Arabische landen. Ga bijvoorbeeld naar Jordanië en je ziet overal portretten van koning Hoessein."
"In
Irak hangt de intensiteit van de Saddamcultus samen met de oorlog en het embargo. Wij zijn aangevallen, wij
worden uitgehongerd. Onze behoefte om uiting te geven aan onze strijd en onze weerstand is veel groter dan in
normale omstandigheden. Hoe kunnen jullie dat begrijpen? Jullie zien personencultus als het etaleren van
macht. Jullie stellen Saddam tegenover het volk: hij is in jullie ogen een tiran voor wie de mensen sidderen.
Dus kan de personencultus niets anders zijn dan indoctrinatie en dwang. Maar voor ons is er geen verschil
tussen de foto's die de regering of de partij laten plaatsen en de foto's in winkels en privé‑woningen.
Ze drukken hetzelfde uit: onze fierheid over de wederopbouw, onze wil niet te plooien voor het embargo. Saddam
is voor ons volk een symbool. Hem afbeelden is het uitdrukken van onszelf, noch min noch meer."
"Mijn
moeder was voor de oorlog allesbehalve pro‑Saddam. Na de oorlog bad ze elke avond: 'God, neem van mijn
leven en voeg het toe aan het leven van Saddam.' Moeder, zei ik lachend, je mag je eigen leven niet opgeven,
we kunnen ons nu geen behoorlijke begrafenis permitteren. 'God,' bad ze de volgende avond, 'neem van mijn
leven en dat van mijn dochter en voeg het toe aan het leven van Saddam.' Het klinkt misschien pathetisch, maar
het zegt veel over Saddams prestige bij de bevolking."
Ik
krab in mijn haar. Wat Nasra vertelt klinkt niet alleen pathetisch, maar ook behoorlijk afgodisch. In dezelfde
lijn als wat de imam van Kerbala zei: Saddam is voor Irak wat een moeder is voor haar kind. Hoe kwetsbaar is
een volk dat zijn leider niet kan missen? Saddam is op dit ogenblik een erg efficiënte en misschien wel
noodzakelijke mythe. Maar wie moet die duizenden foto's en standbeelden opvolgen?
Afstand
Na
drie gesprekken met Nasra is mijn schriftje halfvol. Haar gedrevenheid maakt haar onvermoeibaar. Zij spreekt
zoals zij rookt. Het ene onderwerp is nauwelijks uitgedoofd of een ander is al aangestoken. Wij discussiëren
overal: in de bus, tijdens bezoeken, in de hall van het hotel, tijdens de maaltijden, in de bar. Maar nooit is
het genoeg. 's Avonds nodigt zij het hele gezelschap uit bij haar thuis. Om arak te drinken en verder te
praten. Als om middernacht iedereen gaat slapen, blijven wij met enkelen achter. Wij praten de nacht door.
Ik
moet mij afzetten, denk ik. Afstand bewaren. Mij niet laten overdonderen. Maar na twee avonden weet ik dat ik
deze vrouw vertrouw. Haar gedrevenheid is geen propagandavuur. Het gaat haar niet om Saddam. Het gaat om het
lot van Irak, en dat is zijzelf. In haar rommelige huiskamer, vol schilderijen, boeken en kranten, begin ik
stilaan iets te begrijpen. Politiek is voor Nasra niet wat het voor velen in Vlaanderen is: carrière,
interesse, intellectueel spel, gelijkhebberij, demagogisch talent, een satirische oefening. Politiek is de
stoel waarop we zitten, de prijs van de arak die we drinken, de staat van de wagen waarin Moestafa ons straks
naar het hotel zal voeren. Als die wagen defect raakt, kost de herstelling een meubel of een paar juwelen.
Alles wat deze mensen uitleggen ‑ Saddam, olie, Koeweit ‑ heeft hiermee te maken. Zij
discussiëren niet uit plicht, zelfs niet uit passie, maar uit noodzaak. Zij vechten tegen de media-industrie
in ons hoofd, de mythevorming en de desinformatie, omdat zij normaal willen leven. Hun zieke moeder de nodige
medicijnen willen kopen. Hun gasten arak schenken aan een menselijke prijs.
‑
Wait, wait!
Moestafa
heeft de wagen al gestart, als Nasra komt aangelopen en haar handen naar binnen steekt.
‑
Here. Just to say goodnight.
Op
onze knieën liggen een paar rozen, vers geplukt uit haar tuin. Voor ik ga slapen zet ik de rozen in een glas
water en schrijf nog een uurtje aan mijn notities. Als ik in bed lig, schiet me iets te binnen. Ik doe het
licht weer aan en krabbel nog gauw: "En de Koerden?"
Koerden
Voor
ik vertrok hoorde ik in Leuven Djamil Shakeley, Iraakse Koerd en auteur van het kinderboek De Witte Wolk,
beweren dat het leger van Saddam tussen 1987 en 1989 vierduizend Koerdische dorpen en steden van de aardbodem
had geveegd. Hij beschreef hoe mannen, vrouwen en kinderen verplicht werden zich uit te kleden en levend
begraven werden. Waarom? "Om het Koerdische volk, inclusief cultuur en religie, te vernietigen."1
Nasra's
versie is enigszins anders.
Zij
vergelijkt de behandeling van de Koerden in Irak met die in Turkije. In Turkije mag een Koerd geen Koerd zijn.
Elk recht op eigen identiteit, taal en cultuur wordt hem ontzegd. Er heerst een verschrikkelijke repressie:
foltering, doodseskaders en luchtaanvallen. In Irak zijn de Koerden door het Baathregime als nationale
minderheid erkend. In 1974 kregen zij beperkt zelfbestuur aangeboden met eigen parlement, politie, onderwijs
in de eigen taal, enzovoort. Eenderde van de in Irak geïnvesteerde olie‑inkomsten ging naar Koerdistan.
Volgens
Shakeley worden de Iraakse Koerden vervolgd "als een gevaar (...) voor de Arabische identiteit",
maar volgens Nasra heeft het probleem niks te maken met cultuur en alles met politiek. Irak is een lekenstaat
met vrijheid van godsdienst en cultuur. De Koerdische literatuur bijvoorbeeld heeft precies dezelfde status en
faciliteiten als de Assyrische, de Arabische en de Turkomanische.
Nasra
stelt het probleem politiek. "De Koerdische organisaties van Talabani en Barzani hebben hun eieren onder
Amerikaanse vleugels gestopt. De Amerikanen manipuleren hen sinds jaar en dag om het land te destabiliseren.
Zij worden met beloften en wapens afgehouden van elk compromis met de Iraakse regering en tot opstand
aangespoord." Die pro-Amerikaanse koers verzint zij niet. In een interview met The Washington Post2
zei Barzani: "Wij zijn bereid te handelen in overeenstemming met de Amerikaanse politiek in deze regio,
als Amerika ons wil beschermen tegen de wolven. Als we genoeg steun krijgen, zouden we het olieveld van
Kirkoek onder controle kunnen nemen en het aan een Amerikaanse maatschappij geven ter exploitatie." Het
Amerikaanse Pike Rapport bevestigt bovendien hoezeer de Koerden werden gemanipuleerd: "Zij [Nixon,
Kissinger en de sjah van Iran, nvda] wensten slechts dat de opstandelingen vijandelijkheden konden
volhouden op zo'n niveau dat ze de buurstaat (Irak) uitputten."3
Volgens
Nasra bombardeerden de Amerikanen op het einde van de oorlog woonwijken in het Noorden om de bevolking te
terroriseren en op de vlucht te jagen. Via radio‑oproepen werd een angstpsychose tegen het leger van
Saddam gecreëerd. De mensen werden door hun leiders aangespoord te vluchten naar voor hen geprepareerde
kampen in de bergen. Er liepen zelfs geruchten dat al wie naar de Turkse grens trok, een visum voor het Westen
kon krijgen. Een misselijk makende propaganda‑bedoening waar heel de wereld is ingetuind. De publieke
opinie in het Westen kreeg op het gepaste moment wat miserabilistische beelden van Koerden in modder en sneeuw
te zien, overgoten met de klassieke praat over Saddams wreedheid, en hop: het Amerikaanse leger, dat net dood
en vernieling had gezaaid, kon redder in nood gaan spelen. Goed voor het imago.
Er
zijn in Koerdistan wrede dingen gebeurd. Van beide kanten, zegt Nasra. "Ik wil ook niets goedpraten, maar
wie collaboreert met de vijand roept evident repressie op. Kijk maar naar jullie eigen geschiedenis. Die
repressie wordt in de westerse media echter nooit politiek uitgelegd. Ze wordt gepresenteerd als een
absurditeit, wreedheid om de wreedheid. Halabja. Die beelden van vergaste Koerden zijn voor eeuwig in jullie
memorie gegrift. Al is het heel twijfelachtig of Halabja door het Iraakse leger is bestookt. De kans is groter
dat het om een Iraanse aanval ging. Dat is geen kwakkel van onze propagandadiensten, maar de thesis van twee
Amerikaanse rapporten [van het Army War College Team en van het departement van Defensie,nvda]. Waarom
wordt die thesis door jullie media genegeerd? Het antwoord is eenvoudig: omdat het de vs
politiek slecht uitkomt."
In
het interview met Veto noemt Shakeley het gebied onder vn‑controle
"bevrijd Koerdistan". Een eigenaardige term. Het doet haast denken aan "bevrijd
Vlaanderen", in 1940. In dat gebied vechten de organisaties van Barzani en Talabani momenteel tegen
elkaar. Onder het waakzaam oog van de vn.
Tussenstand: 4.000 doden.4 Turkse gevechtsvliegtuigen komen af en toe binnengevlogen om PKK‑stellingen
te bestoken. Volgens Nasra is de toestand er zo erg dat er op dit moment in de streek van Mosoel kampen zijn
van vluchtelingen uit het Noorden. "Hoe konden jullie geloven dat het de Amerikanen om het welzijn van de
Koerden te doen was? Leren jullie dan niets uit de geschiedenis?"
Imperialisme
Geschiedenis.
Na elk gesprek met Nasra wordt het me duidelijker. Wij peilen naar folterkamers en personencultus, Koeweit en
Koerden. Zij antwoorden met olie, Amerika, imperialisme en embargo. Wij gooien hen de hot items van onze tv‑schermen
voor de voeten. Zij geven ons een les in geschiedenis.
Koeweit.
Waarom in 's hemelsnaam die inval in Koeweit? Het lijkt ons het sleutelstuk van de hele puzzel. Met die inval
is het immers allemaal begonnen: de oorlog, het embargo...
De
specialist terzake is ditmaal Moestafa, Nasra's man. Een halve nacht lang neemt hij ons de geschiedenis in. De
historische eenheid van Koeweit en Irak. De eenzijdige amputatie van Koeweit door de Britten, in dienst van
hun belangen. Het onophoudelijk verzet van elke Iraakse regering daartegen, zelfs die onder Britse voogdij. De
economische oorlog van Koeweit, de overproduktie en verkoop van olie onder de afgesproken prijs. Enzovoort.
Een nacht vol landkaarten, data, cijfers en feiten.
Maar
dat is de kwestie niet, zegt Nasra. De kwestie is olie.
"Schrap
de olie en de inval in Koeweit wordt een bagatel, een Arabische burenruzie waar niemand zich voor
interesseert. De Golfoorlog heeft niks te maken met internationaal recht en alles met grondstoffen. Het is een
oorlog tussen Zuid en Noord, tussen arm en rijk, tussen de erfgenamen van de gekoloniseerden en de erfgenamen
van de kolonisators. Want: stel dat de oliebronnen van Koeweit in Iraakse handen zouden vallen, wie zou daar
beter van worden en wie slechter? De oliebronnen zijn nu de facto in handen van het Westen, net als in Saoedi‑Arabië.
Die twee vertegenwoordigen een zo groot deel van de olieproduktie dat het Westen de prijzen laag kan houden.
Want daarvoor dienen wij: om jullie aan goedkope grondstoffen te helpen en zelf onderontwikkeld te blijven. In
Iraakse handen zou de olie genationaliseerd worden, de strijd voor een rechtvaardige olieprijs zou
gemakkelijker worden, de winsten zouden in eigen land blijven. Wie daarvan zouden profiteren zijn de gewone
Arabieren, quantité négligeable in de westerse pers als het over internationaal recht gaat."
"Want
zo bekijken jullie het natuurlijk nooit. Jullie schreeuwen moord en brand om de inval in Koeweit, maar de
plundering door het Westen van grondstofgebieden en arbeidsmarkten vinden jullie doodnormaal, een gegevenheid
als de zon of de regen. Dat drievierde van de wereld zich niet normaal kan ontwikkelen door jullie vraatzucht:
tsja, het is nu eenmaal zo. Jullie moeten dringend naar de inhaalles. Die revolverzwaaiende Saddam even uit
het hoofd zetten en een beetje bijstuderen over een groter kwaad: het imperialisme."
Retoriek?
"Wie
de Amerikaanse inmenging in de regio nauwkeurig bestudeert, stelt vast dat de hoofdverantwoordelijkheid voor
de oorlog niet bij Irak ligt, maar bij de Amerikaanse regering. De oorlog werd gepland in Washington, lang
voor de eerste soldaat Koeweit binnentrok. De regering van de vs
gebruikte de koninklijke familie van Koeweit om een Iraakse invasie te provoceren en zo een grootscheepse
oorlog tegen Irak, in dienst van de Amerikaanse dominantie in de Golf, te legitimeren. Het ging in de
Golfoorlog niet om Koeweits soevereiniteit, zoals president Bush verkondigde, maar om de heerschappij van
Amerika over de regio en haar olie." Ramsey Clark in The Fire this Time, een boek dat het
bovenstaande hard maakt met officiële Amerikaanse bronnen.
- II -
A
table je me trouvais auprès d'une beauté.
Mon
père me regardait,
Il
comprenait mes intentions.
Plus
tard il me prenait par le bras,
Il
me disait: mon fils,
Il
y a tant de femmes à aimer,
Tant
de pays à visiter,
Tant
de livres à lire.
La
vie ne dure pas, mon fils,
Il
ne faut pas tarder.
Il
faut aimer, aimer, aimer.
Mais
sois prudent pendant l'hiver,
Quand
elles sont enrhumées.
Depuis,
chaque hiver,
Du
premier jour
Jusqu'au
dernier,
Je
suis enrhumé.
Chalil
Choeri, uit de herinnering opgetekend
Chalil
De
dichter stelt zich voor: "Chalil, ce qui veut dire Charles. Choeri, du grec kourès, ce qui veut dire
prêtre. Je suis né pour être poète, monsieur."
Chalil
werkt bij de Iraakse radio, een departement van het ministerie van Informatie en Cultuur, als expert inzake
Iran. Zijn werk bestaat erin te antwoorden op vragen van luisteraars of te reageren op anti‑Iraakse
radioberichten van buitenlandse zenders. Gemiddeld zo'n 300 per dag, beweert hij. "Dont deux ou trois
valent la peine d'une réponse."
Chalil
praat zuinig over politiek. Hij heeft het liever over de muziek van de Arabische poëzie, over kruiden en
parfums, over goede en slechte whisky, over de schoonheid van de vrouw en de noodzaak voor een dichter om zich
te bekwamen in de liefde. Hij is het type man voor wie de woorden connoisseur en savoir‑vivre
zijn uitgevonden. In een bar of tijdens een diner citeert hij, als de conversatie of de aanwezigheid van une
beauté erom vragen, met plezier uit zijn oeuvre. In het Arabisch en in een Franse gelegenheidsvertaling.
Dialogeren ligt hem niet. Hij praat het liefst in anekdotes. "Attendez monsieur, je vais vous raconter
une histoire."
Op
een dag, voor de oorlog, vat zijn vrouw het plan op om een huis te kopen. Chalil, die zijn eega kent, laat
haar begaan. Zij rekent uit dat ze een lening nodig heeft van 5.000 dinar, maar de bank geeft niet meer dan
3.500. Chalil preekt berusting, maar achter zijn rug schrijft zijn vrouw een brief naar de president. Zij legt
zijne Excellentie uit dat de bekende dichter Chalil Choeri een huis wil kopen, maar niet bij machte is door de
onwil van de bank. Enige tijd later wordt Chalil bij de president geroepen. Enigszins zenuwachtig meldt hij
zich aan. "Bonjour, monsieur Choeri. Bonjour, Excellence. Comment allez‑vous?" Waarop de
president hem de brief van zijn vrouw toont. Chalil belooft haar streng te berispen, maar de president prijst
de vrouw om haar liefde en karakter en geeft Chalil een enveloppe mee.
Thuis
gooit Chalil zijn vrouw de enveloppe toe en berispt haar streng om haar achterbaksheid. De hele avond is hij
bars, wijst haar liefkozingen af en denkt aan andere vrouwen. Maar de zijne is dolgelukkig. In de enveloppe
zitten de nodige papieren om van de bank de lening te krijgen die zij wenst. "Voilà notre président,
monsieur!"
Voor
een ander sterk verhaal zorgt het lot.
Na
een avondje in "The House of Writers", omstreeks 11 uur, rijdt de beroemde dichter mij en Bob van
Laerhoven terug naar het hotel. In een gammele auto met startproblemen, portieren die niet opengaan en een
barst in de ruit. Het type auto dat sinds het embargo 90% van het Iraakse wagenpark uitmaakt. Vlak bij het
hotel krijgt hij een lekke band. In de bagageruimte zit een reservewiel, maar dat is helaas ook lek. Chalil
wuift onze hulpvaardigheid weg en vraagt iemand van het hotel naar een garage te rijden en hem twee nieuwe
banden te bezorgen. De man komt terug met de boodschap dat twee nieuwe banden 60.000 dinar kosten. Dat is meer
dan anderhalf maal Chalils jaarloon. De dichter besluit dan maar de band op ambachtelijke wijze te laten
herstellen. Om 3 uur 's ochtends komt hij thuis.
Het
voorval is veelzeggend.
Chalil
Choeri is een van Iraks bekendste dichters. Hij is geen proletariër. Hij kent de smaak van luxe en comfort.
Op de schouw bij hem thuis liggen twee kostbare dolken, geschenken van deze en de vorige president. Hij
behoort tot de gepriviligieerde kringen. Maar twee nieuwe banden kan hij zich niet permitteren. En op zijn
mooie pak moet hij zuinig zijn.
Zo
werkt het embargo.
Avant-garde
De
Iraakse poëzie was en is de avant‑garde van de Arabische poëzie. Dat zeggen niet alleen de Iraki's,
dat beweert ook Abdallah Baroudi, de bekende Marokkaanse dichter, die in Parijs leeft. Alle grote stromingen,
zegt hij, zijn in Bagdad begonnen. Bijvoorbeeld de belangrijke vernieuwing van de jaren '50, met grote namen
als Badr Chaker el Sayab en Nazik el Malaika. Deze dichter en dichteres doorbraken de formele dwang van de
Arabische versregel en integreerden, tegen de voorstanders van een "zuivere" islamitische kunst in,
de grote Babylonische en Assyrische mythen in hun werk. Zij stonden ook open voor de westerse poëzie. Vooral The
Waste Land van T.S. Eliot was erg invloedrijk. Vanuit Irak zette de vernieuwing door in de hele Arabische
wereld: Libanon, Egypte, Syrië, de Magreb... De toonaangevende Arabische dichters van dit moment zijn stuk
voor stuk geesteskinderen van deze beweging.
De
Arabische poëzie, en literatuur in het algemeen, is in het Westen maar weinig gekend. Een geval van cultureel
racisme, vindt Nasra. "Wij zijn helaas geen Israëli's of Sovjetdissidenten. Wij zijn Arabieren en dat
wordt in Amerika en Europa maar al te vaak geassocieerd met achterlijkheid, fundamentalisme en terrorisme. Wat
goeds kan er uit zo'n wereld komen? De Arabische literatuur vertegenwoordigt 200 miljoen mensen, is de
voortzetting van een zeer oude en rijke traditie en heeft op dit moment minstens tien schrijvers van
wereldklasse. Maar behalve wat kruimels wordt er niks vertaald. Wij hebben één Nobelprijs: Mahfoez. Net
zoveel als België."
Het
embargo treft ook het literaire leven. Schrijvers en uitgeverijen hebben papier nodig. Maar papier is schaars
en duur. Iraakse schrijvers maken hun kladversies zuinig op de achterzijde van bedrukt papier. De produktie
van de staatsuitgeverijen is teruggelopen van 1.000 tot 100 publikaties per jaar. Literaire tijdschriften
slanken af tot de helft of eenderde van hun aantal bladzijden. Buitenlandse literatuur komt het land niet meer
binnen, binnenlandse produkten raken het land niet meer uit. Het intellectuele leven verschraalt. De verkoop
van boeken is spectaculair gedaald. Mensen kopen eten, geen boeken.
En
ook schrijvers moeten eten. De prozaïst Abdoel Chaliq el Rikabi werkt aan een trilogie, Eslaf, waarin
hij de hele mensengeschiedenis ‑ van het primitieve communisme tot een finaal utopia ‑ wil
kristalliseren in de evolutie van een Arabische stam. Een interessant project waar zowel de Koran, de
islamgeschiedenis, 's schrijvers eigen leven als de invloed van García Márquez aan meeschrijven. Rikabi is
invalide. Vroeger leefde hij van zijn overheidspensioen. Nu sleept hij zich op zijn krukken naar zijn wagen en
speelt de hele dag taxichauffeur. Hij klinkt behoorlijk bitter. "De zorg om te overleven zuigt alle tijd
en energie op", zegt hij. "Hoe kan je in die omstandigheden nog schrijven?"
Gelukkig
voor de Iraakse literatuur is zij Arabische literatuur. Vanuit literaire kringen in andere Arabische landen is
er een vanzelfsprekende solidariteit. Soms worden manuscripten in het buitenland uitgegeven, in Egyptische en
Libanese kranten verschijnen Iraakse gedichten, poëziefestivals van Marokko tot Jordanië nodigen Iraakse
dichters uit. Het panarabisme is niet uitgevonden door Baath. Het bestaat in de taal en de cultuur, eeuwenoud
en onuitroeibaar. Wij zijn Arabieren. De grenzen zijn de grenzen van het kolonialisme. On s'en fout.
Staatszaak
In
het Westen is de dichter een eiland. Een eenzaam individu dat zich distantieert van de vuile wereld van de
macht en de domme wereld van de massa. Behalve voor een collega in een verre cel houdt hij zich niet bezig met
politiek. Hij woont onder een stolp en schrijft over de lucht die hem omringt, zijn lijfgeur. Zijn ambitie is
roem, excelleren als kostbare ziel in dagbladrecensies en op literaire podia. Terwijl de wereld huilt en
schreeuwt, roddelt en twist, liegt en manipuleert, behoedt hij de taal. In een schrijn. Hij spreekt alleen in
naam van zichzelf. Hij kan veel betekenen op het nachtkastje van wie hem lezen, maar maatschappelijk is zijn
relevantie nul.
In
de Arabische cultuur is de dichter geen zonderling, geen eenzaat. Hij is de stem van een volk. Leven en werk
van grote namen als el Sayab, Bayati, Adoenis of Mahmoed Darwish zijn onverbrekelijk verbonden met de
Arabische politiek. Hun gedichten reflecteren opstand, oorlog en ballingschap, verweven oude
vruchtbaarheidsmythen met actuele gebeurtenissen en bekoren zowel de geletterde als de analfabeet. Mensen op
straat herkennen Chalil Choeri, gewone mensen. Zij lezen hem niet, maar zij kennen hem van radio en tv.
Poëzie op radio en tv is in Irak even gewoon als de hits van Bart Kaëll bij ons. Bekende gedichten zijn
gemeengoed. Als de dichter ze voordraagt op het podium, spreekt de zaal zachtjes mee. Het zijn niet zijn
gedichten, het zijn hun gedichten.
Dichters
hebben bijgevolg een groot maatschappelijk gezag. Dat uit zich bijvoorbeeld in de politieke functies die zij
aangeboden krijgen. Een dichter als minister van Cultuur of minister van Onderwijs is in de Arabische wereld
geen anomalie.
Ook
omgekeerd werkt de relatie, alvast in Irak. Poëzie en literatuur zijn er in hoge mate een staatszaak. De
belangrijkste uitgeverijen zijn van de staat. Zij publiceren de belangrijkste dichters en de grote literaire
tijdschriften. Er zijn ook privé‑uitgeverijen, maar die zijn klein en door de moeilijkheden van het
embargo erg verminderd in aantal. Het literaire leven speelt zich voor 90% af onder de paraplu van "het
meest verwerpelijke regime ter wereld". De Iraakse dichters zien er geen been in. Ik krab in mijn haar.
"Monsieur,"
vraagt Chalil, enigszins beledigd, "est‑ce que vous me croyez un âne? Ik woon in de bakermat van
de menselijke cultuur. Ik kan teren op de erfenis van ten minste vier grote beschavingen: de Soemerische, de
Assyrische, de Babylonische en de Arabische. Ik heb negen bundels gepubliceerd, die mij bekend hebben gemaakt
niet alleen in Irak, maar in de hele Arabische wereld. Ik ken de Europese cultuur uitstekend. Ik heb
Baudelaire, Rimbaud, André Gide, René Char, Henri Michaux en Claude Simon in het Arabisch vertaald. Ik ben
de wereld rondgereisd. Voor wie ziet u me aan? Voor een propaganda‑schrijvertje?"
Censuur
"Wij
vinden het evident dat de staat het culturele leven organiseert", zegt Hamid Said, dichter en directeur
van een krant. "Wij hebben geen zin ons literaire leven te laten verloederen door de commercie, zoals in
West‑Europa en de vs. De
staatsuitgeverijen zijn een garantie dat de klassieken voortdurend beschikbaar zijn, dat de belangrijke
buitenlandse literatuur vertaald wordt, dat speciale studies voor een klein publiek gedrukt kunnen worden en
vooral: dat we literatuur van niveau uitgeven en geen rommel. Het publikatiesysteem bij de staatsuitgeverijen
is zeer solide: een manuscript wordt beoordeeld door drie lectoren, onafhankelijk van elkaar. Voor dat
lectorenwerk wordt beroep gedaan op bekende schrijvers en vooraanstaande personen in het culturele
leven."
‑
Jamaar, bestaat er dan geen gevaar voor politieke of ideologische censuur?
Nee,
zegt Sami Mahdi, een andere bekende dichter. "Wij hebben als norm dat iedereen zijn eigen gedachten heeft
en dat wij er alleen zijn om de esthetische kwaliteit te beoordelen. Mijn eigen werk bijvoorbeeld zit vol met
ideeën die niet stroken met de officiële politiek."
‑
Goed, maar waar ligt de grens? Als bij ons in België de koning overlijdt, staan honderdduizenden tien tot
vijftien uur in de rij om drie seconden het lijk te zien. Maar een maand later verschijnt een boekje waarin
hij grandioos belachelijk wordt gemaakt. Kan dat hier? Kunnen jullie bijvoorbeeld een spotdicht op Saddam
schrijven?
Hamid
Said: "Waarom legt u ons uw normen op? Waarom moet bij ons kunnen wat bij u kan? Uw vergelijking is
absurd, omdat ze geen rekening houdt met de verschillen tussen onze landen en onze culturen. Voor u is het een
kwestie van censuur, voor ons een kwestie van moraal. Een tekst die Saddam belachelijk maakt, zou inderdaad
verboden worden. Onze cultuur laat zoiets niet toe, net zomin als onze cultuur uw vrijheid in verband met seks
toelaat. Saddam belichaamt voor ons blijkbaar meer dan uw koning. Hij is het symbool van onze strijd en ons
lijden. Als wij op hem trappen, trappen wij op onszelf. Onze waardigheid en de waardigheid van ons volk laten
zoiets niet toe. Ben ik daarom een gemuilkorfde schrijver? Ik vind van niet. Ik heb mijn eigen visie en mijn
eigen project. Ik beleef die echter niet in het ijle, maar in een cultuur met specifieke waarden en een
specifieke moraal. Die cultuur is vanzelfsprekend voor mij. Ik voel hem niet als een dwangbuis, maar als mijn
tweede huid."
Politiek
The
martyr writes to his woman
Leave
everything as it is
And
wait for me
Don't
be hopeless
Leave
my pen
My
poetry books
My
tobacco
And
the disorder of my books and clothes
And
tell my friend that
"I
am coming back."
Don't
be talkative
One
magnificent afternoon I shall come back
I
shall not knock at the door or hesitate
But
sneak like air into my room
To
rest for a while
And
read on the remaining part of my book.
Sami
Mahdi
Iraakse
dichters schrijven over de natuur, de liefde, hun jeugd, het grote gemis..., net als dichters bij ons. Maar
hun toon is heel anders. Hun humor wordt nooit cynisch, hun gemis nooit zwartgallig, hun gekwetstheid nooit
misantropisch. In alle poëzie die zij reciteren of mij te lezen geven is de hoofdtoon positief: geloof in de
mens, geloof in het leven.
Een
bundel van Sami Mahdi heet Ulysses' Happiness. In een van de gedichten loopt Bloom door Bagdad, een
soldaat van de Iraanse oorlog op het einde van zijn verlof. Zijn "stream of consciousness" is een
intens uitzuigen van elke seconde, elke geur, elk beeld van de dag. En tegelijk een gespannen verwachting naar
de avond, de laatste, met zijn vrouw. "He is driven by passions. He sails in the streets, in the
faces, perfumes of the ladies, shop windows and the ever ready vendors, but (...) She is waiting with her
sons. (She was about to tell me, but she refrained. If she had told me...) She will do. He knows she is
a fertile woman, a fifth baby is kicking in her belly (she wants to take me by surprise). She will tell
him, give him laughingly a pullover as a present: it is not for my brother, nor for anyone else. I knit it for
you." Het contrast met de verveling en de ontrouw van Joyces Bloom en Molly is veelzeggend.
Of
zij ook politieke gedichten schrijven?
Chalil:
"Wat is politieke poëzie? Soms schrijf ik gedichten over de oorlog, over het lijden van mijn volk, over
de agressie tegen mijn land. Maar is dat politiek? Nee, het is de uiting van mijn diepste gevoelens, van wat
mij als mens het diepst raakt. Ik was in Bagdad toen de Amerikanen ons dag en nacht bestookten. Ik weet wat
het is met een kind aan je borst in de hel van de bombardementen te zitten. Als ik over die angst schrijf, is
dat dan politiek? Als Mahmoed Darwish over het lijden van de Palestijnen schrijft, over hun neergekogelde
familieleden, over hun vertrapte waardigheid, is dat politiek? Is er onderscheid tussen zijn gevoelens en die
van zijn volk? Onze grootste dichter, Abdoel Razaq Abdoel Wahid, heeft een gedicht waarin hij het geduld van
Irak vergelijkt met het geduld van Job en het geduld van een kameel. Als hij het voordraagt beginnen de mensen
spontaan te huilen. Is dat politiek?"
"Ik
volg de moderne Franse poëzie. Zij is steriel. Talentrijke jongeren die kringetjes om zichzelf beschrijven,
een huisje van taal bouwen waarin ze wegkruipen voor de wereld: des escargots. Voor zulke mensen is
politiek een heel vreemd ding, iets onnatuurlijks dat hun eigenheid bedreigt. Voor ons is politieke poëzie
vanzelfsprekend. Geen slogantaal of propagandakunst, maar verbondenheid met je medemensen in dezelfde liefde
en dezelfde pijn. Een dichter vindt duizend beelden om dat uit te drukken."
- III -
Besluit een
Het
is de Vlaamse dichter niet gegeven.
Ik
ben uit Irak teruggekomen met een gevoel van onmacht. Hoe maak ik mensen in België duidelijk wat daar
gebeurt? Hoe breng ik de gevoelens over die mij overvallen als ik door de el Ameria‑schuilkelder loop,
waar meer dan duizend mensen levend zijn verbrand of gekookt? Een vrouw in het zwart, die hier haar kind en
negen andere familieleden heeft verloren, vertelt de verschrikking. Haar ogen, ik heb zulke ogen nooit gezien.
Zij kijken niet, zij zien. "Bush dient terechtgesteld." Het klinkt niet pathetisch.
Ik
loop door een gebombardeerde wijk in Mosoel. Vijftien huizen, een school, een kerk: platgegooid. Veertig
doden. Aboe Ahmed wou net zijn huis binnengaan, toen de bom insloeg. Hij werd weggeslingerd en overleefde.
Sindsdien is hij verlamd. Huis kwijt, werk kwijt. "Bush is een verschrikkelijke man, een
verschrikkelijke, verschrikkelijke man." Het klinkt niet overspannen.
Ik
loop door Kerbala, de heilige stad, in de richting van de el Hoessein‑moskee. De omgeving is een
puinhoop: stukgeschoten tijdens de opstanden na de oorlog. De gids snauwt bedelende kinderen van ons af. Dan
staan wij voor de moskee: een mirakel van goud. Onze camera's zoemen. "Het mooiste wat ik ooit heb
gezien", zegt iemand. Het klinkt ongepast.
Besluit
twee
Terug
in België. Interviewtje links, interviewtje rechts. Twee, drie keer hoort de modale Vlaming iemand vertellen
hoe erg het embargo wel is. Dan zijn die achttien miljoen Iraki's weer verdwenen. In rook opgegaan samen met
hun problemen. Irak is weer wat het was: de speeltuin van een psychopaat.
Op
een vergadering in 1982 stelt een minister voor dat Saddam tijdelijk zou aftreden, om een wapenstilstand met
Iran te vergemakkelijken. Saddam blijft kalm. "Komt u even mee," zegt hij, "dan kunnen we
hiernaast van gedachten wisselen." Even later klinkt een schot. De aanwezigen rillen. Dan komt Saddam
terug binnen en zet de vergadering gewoon voort. Dit verhaal komt niet uit Bild, maar uit The Wall
Street Journal.5
Jaren
later loopt Odai, Saddams zoon, gevolgd door een tiental vrouwen een exclusieve dancing binnen. Iedereen rept
zich van de dansvloer. Wie in zijn aanwezigheid durft dansen wordt immers afgeranseld of in de gevangenis
gegooid wegens belediging van de president. "Odai wil de dansvloer voor zich en zijn meisjes alleen
hebben. Soms, als hij in de juiste stemming is gekomen, grijpt hij zijn revolver en schiet, op de maat van de
muziek, in het plafond, de kroonkandelaars of de wandbetimmering."6
Ik
tracht niet naïef te zijn. Ik weet dat wij de vriendelijke zijde van het systeem hebben gezien. Maar ik kan
het monster uit de gruwelverhalen moeilijk verbinden met de Saddam waar bijvoorbeeld Nasra over spreekt. Voor
het thuisfront is Nasra een spreekbuis van het regime en dus onbetrouwbaar. Maar ik heb haar leren kennen als
iemand met een visie en argumenten. Haar beeld van Saddam is partijdig, verdoezelt allicht de minder fraaie
trekken, maar is niet dom. Het situeert de man en zijn populariteit in de politieke en economische
geschiedenis van zijn land. Het beeld van de Humo‑stories is even partijdig, maar het verklaart
niets. De historische en politieke context wordt gewoon weggeknipt. Wat overblijft is "het absurde
systeem van moordpartijen, folteringen en corruptie".7 Saddam als een gedrocht, een
curiositeit, een sterk verhaal. Opwindend leesvoer.
Maar
niet onschuldig. Het lawaai over Saddam dient een doel. Het creëert stilte rond een terreur, die onweerlegbaar
is: het embargo. Over dat embargo maakte Ann Rootveld na onze reis een serie korte maar uitstekende
programma's voor de brtn‑radio.
Misschien is dit soort informatie een tikkeltje relevanter dan de vele interviews met zo'n dubieuze figuur als
de "dubbelganger" van Odai Hoessein. Of het waar is dat Saddam de vrouwen die hij neukt, vervolgens
laat verdrinken of doodschieten is tenslotte volstrekt onachterhaalbaar. Dat het embargo onschuldigen doodt is
zeker.
Besluit drie
Toen
we naar Irak vertrokken, kwam het brtn-journaal
ons uitwuiven. Bombardementen, embargo, Bush en olie interesseerden hen geen zier. Wie betaalde onze reis? Wie
zou ons rondleiden? Waren we niet bang voor manipulatie? Zouden we van EPO
(een linkse uitgeverij!) wel mogen schrijven wat we wilden? Enzovoort.
Ja,
ik ben bang van manipulatie.
Ik
heb in Irak Attention Médias! van Michel Collon gelezen, een analyse van de francofone berichtgeving
tijdens de Golfoorlog. Collon maakt een minutieuze vergelijking tussen de beschikbare informatie en de
informatie die de dominante media (vooral tf1,
Antenne 2, rtl, rtbf,
Le Monde en Le Soir) effectief hebben doorgegeven. Over de Amerikaanse bedoelingen, de
voorgeschiedenis van de Koeweitse kwestie, de vredesvoorstellen van Irak, de capaciteit van het Iraakse leger,
de figuur van Saddam Hoessein, de oorlog tegen de burgerbevolking, de "gefolterde" piloten, de
couveuse‑baby's, het superkanon, het ecologisch terrorisme van Saddam, de gebombardeerde
"bunker", enzovoort. Zijn bevindingen zijn ronduit verbijsterend. De media hebben zichzelf
gecensureerd. Ze hebben gelogen, verzwegen en misleid. Ze hebben met twee maten en twee gewichten gewerkt. Ze
hebben de oorlog verslagen in de woordenschat en het ideologisch kader van Bush en Schwarzkopf. Hun kritische
functie was quasi nul, een paar onbetekenende krasjes op His Master's Voice.
Ramsey
Clark heeft een gelijkaardig onderzoek gedaan in de vs.
Zijn conclusie is even vernietigend: "De regering van de vs
en de Amerikaanse media verbonden zich in de Perzische Golf tot een gemeenschappelijk doel. Het machtigste
propagandavermogen en de meest gesofisticeerde technologie van de dood uit de geschiedenis spanden samen om
een leger af te maken, een natie te verminken, dit vrijheid te heten en op te roepen dit te vieren."
Hierbij weze aangestipt dat Clark, Amerikaans oud‑minister van Justitie, tijdens de oorlog door Irak
reisde en zes uur videotape meebracht ("much of it filmed without Iraqi officials present and (...)
uncensored"). "De film werd door de massamedia in de vs
nooit vertoond."8
Besluit vier
Waar
praten we over?
De
intellectuelen die ik in Irak heb ontmoet, hebben het voortdurend over "imperialism". Het is voor
hen het sleutelwoord om de realiteit van het Midden‑Oosten uit te leggen. De prijs van de olie
bijvoorbeeld. Intellectuelen in Vlaanderen mijden het woord. Het behoort tot de retoriek die je moet vermijden
in objectieve nieuwsberichten of goed geschreven politieke essays. Imperialisme is een woord van Ludo Martens,
net als klassenstrijd en kapitalisme. Frank Vandenbroucke gebruikt het nooit meer. Vlaamse intellectuelen
spreken liever over "de internationale gemeenschap" en "het internationaal recht".
Wat
is retoriek? Het politiek discours dat in Vlaanderen dominant is, is in Bagdad volstrekt irrelevant. Als een
Iraki een liter melk of een paar schoenen wil kopen, stuit hij op het imperialisme. Zo simpel is het. Maar die
eenvoudige waarheid is in de dominante westerse media zo goed als afwezig. En niet alleen wat betreft Irak. Om
de haverklap verschijnt de hongerige, zieke, op de vlucht gejaagde en geterroriseerde medemens van de Derde
Wereld op het scherm. Als slachtoffer van droogte, stammentwist en burgeroorlog. Goed voor emmers medelijden.
Maar zelden hoor je uitleggen wie of wat die wereld heeft leeggeroofd, ontwricht en met schulden beladen. De
kern van de zaak dus. Daarvoor moet je Wereldwijd lezen of Solidair, abonnementen die ik sinds
Bagdad koester.
Besluit vijf
"De
vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden niet."
Mijn
reis naar Irak heeft me geleerd dat deze stelling in dit geval niet opgaat. De vijand van Amerika is niet het
monster Saddam, maar Saddam als belichaming van een Irak dat zich wil ontwikkelen tot een sterke en
geëmancipeerde natie. De Golfoorlog is niet begonnen met de inval in Koeweit, maar met de nationalisering van
de olie in 1972. Toen heeft Saddam de fatale doodzonde bedreven door op te staan tegen een wereldorde die
zegt: voor ons de taart en voor jullie de kruimels. Net als Nasser. Net als Lumumba. Net als Ho Chi Minh. Net
als Allende. Net als Ortega. Net als Fidel Castro. Net als Kim Il Sung. Wie daar de ogen voor sluit, heeft
niet het recht zich zorgen te maken over de gevangenissen op Cuba of de persvrijheid in Irak. Want ook als we
aannemen dat Saddam de willekeur en wreedheid in persoon is, dan nog veroorzaakt hij niet een duizendste van
het leed dat wordt berokkend door de regeringen van onze hooggeprezen democratieën. Bijvoorbeeld in Irak.
"Bovendien,
of Saddam deugt of niet deugt, zullen we zelf wel uitmaken", zegt Nasra. "Hij is tenslotte jullie
leider niet. Maar de oorlog en het embargo komen wel van jullie. Jullie kunnen onmogelijk neutraal zijn. Het
zijn jullie regeringen die ons dit embargo aandoen. Het is jullie pers die ons doodzwijgt. De oorlog is
gevoerd voor olie, in dienst van jullie economie, jullie welvaart. Jullie wonen niet op de maan."
Besluit zes
Ook
jij niet, dichtertje.
Charles Ducal
° Leuven, 3 april 1952 - licentiaat Germaanse filologie - dichter en schrijver