dossier : A20030681 – tekst van dagvaarding dd 04/04/2003: zie na conclusie -
Voor:
1.
VAN MOORTER Geert, urgentie-arts, geboren te Aalst op 10 mei 1958, Belg,
wonende Vijfhuizen 8 te 9420 Erpe-Mere.
2.
MOULAERT Colette, kinderarts, geboren te Ukkel op 8 augustus 1945, Belg,
wonende Chaussée de Chatelineau 31 te 6061 Montignies-sur-Sambre.
3.
SADA Mustafa, chirurg, geboren te Bagdad op 14 maart 1964, Irakees, wonende
in het Al Anour ziekenhuis,Shu’ala, Bagdad, Irak en voor zover als nodig voor
deze procedure woonstkiezend bij advocaat Raf Jespers, verder vermeld.
4.
COTTENIER John, bediende, geboren te Kortrijk op 17 mei 1947, Belg, wonende
Rue de Heigne 43 te 6000 Charleroi.
5.
ADRIAENSENS Dirk, ambtenaar, geboren te Holsbeek op 20 oktober 1953, Belg,
wonende Boureng 57 te 7864 Deux-Acren (Lessines).
6.
COLLON Michel, journalist, geboren te Ukkel op 1 september 1946, Belg,
wonende Rue André Renard 37 te 4430 Ans.
Eisers,
Met
als advocaten Mr Raf Jespers en Mr Jan De Lien, kantoorhoudend Sint
Rochusstraat 59 te 2100 Deurne-Antwerpen, en Mr Jan Fermon, kantoorhoudend
Haachtsesteenweg 55 te 1060 Brussel.
Tegen:
DE
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Eerste Minister, met kantoren
gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 16
Verweerder,
Met
als advocaten Mr Patrick Peeters, kantoorhoudend Graanmarkt 2 te 2000
Antwerpen, en Mr Joost Verlinden, kantoorhoudend Brederodestraat 13 te 1000
Brussel.
Voorzitter
van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kortgeding,
A.R.
03/515/C
Onder
voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkentenis.
Gezien
de inleidende dagvaarding dd. 1 april 2003.
I.
Feitelijke gegevens
1. Op dit ogenblik voeren de Verenigde Staten
van Amerika (V.S.A.) en het Verenigd Koninkrijk (V.K.) met steun van enkele
andere landen een oorlog tegen en een militaire bezetting van de republiek Irak.
Deze
oorlog is volgens het internationaal recht een agressieoorlog en is een misdaad
tegen de vrede.
2. De Belgische Staat bij monde van de
Belgische regering laat inzonderheid de V.S.A. toe om via België militair en
ander personeel en materiaal te transporteren dat bestemd is voor het voeren
van, minstens het ondersteunen van het voeren van de oorlog en de bezetting
tegen Irak.
De
Belgische Staat liet en laat eveneens toe dat B-52 bommenwerpers en andere
vliegtuigen van het V.K. en van de V.S.A.
van het Belgische luchtruim gebruikmaken om naar Irak te vliegen en dit
land en inzonderheid de hoofdstad Bagdad te bombarderen of militairen en
militaire goederen over te brengen naar de Golfregio.
De
transporten geschieden over land via het Belgisch spoorwegnet, het wegennet en
via de haven van Antwerpen met name via het Vrasenedok op de Antwerpse
linkeroever en de kaaien 1217 en volgende.
De
transporten geschieden eveneens via de luchthaven te Oostende waar vliegtuigen
van het Amerikaanse leger of bestemd voor het vervoer van militair personeel of
materiaal, landen om bij te tanken.
De
transporten gaan nog steeds verder; de pers en goedingelichte bronnen melden
dat er nog steeds transporten geschiedden via de luchthaven te Oostende en dat
ondermeer op 17-18 april 2003 een nieuw transport voorzien was via het
Vrasene-dok van de haven van Antwerpen. Er worden nog nieuwe transporten in het
vooruitzicht gesteld.
De
Belgische regering heeft nooit ontkend dat de transporten nog steeds gaande
zijn en bewaart op dit punt het stilzwijgen in de besluiten van verweerder.
3. Een illegaal embargo (zie stuk, rapport
Bossuyt) gedurende bijna tien jaar ging vooraf aan de oorlog tegen en de
bezetting van Irak door de V.S.A en het V.K.
De
bombardementen en de verovering van Irak hebben grootschalige verwoestingen
aangericht in diverse Iraakse steden en maakten talloze slachtoffers niet het
minst onder de burgerbevolking.
Eerste,
tweede en derde concluant maakten ondermeer melding van zware
luchtbombardementen op Irak door vliegtuigen van het leger van de V.S.A. en van het V.K..
Zij
werden zelf geconfronteerd met een groot aantal burgerslachtoffers dat door
deze bombardementen en door het gebruik van geweld bij de verovering van Bagdad
door de militairen van de V.S.A. reeds gesneuveld en gewond werden
4. In zijn besluiten stelt verweerder het voor
alsof er eerst precisiebombardementen op Bagdad plaatsvonden en dat daarna de
coalitiestrijdkrachten de stad gewoon veroverd hebben. Verweerder laat na te
vermelden dat na de zogenaamde precisiebombardementen, die ook heel wat
burgerslachtoffers hebben gemaakt (ondermeer twee bombardementen op een autoweg
en op een markt met samen meer dan 90 doden), er daarna diverse
terreurbombardementen geweest zijn op Bagdad die de burgers niet ontzien
hebben. En dat bovendien bij de inname van Bagdad zeer veel geweld tegen
burgers is gebruikt met honderden doden en gewonden voor gevolg en met een
georchestreerde plundering en vernieling van bepaalde openbare gebouwen,
ondermeer ziekenhuizen. Het beeld dat verweerder van het militair optreden van
de V.S.A. en het V.K. schetst strookt niet met de realiteit.
5. De oorlog tegen Irak en bezetting van Irak
schenden het internationaal recht
De
oorlog van de V.S.A. en van het V.K. tegen Irak en de militaire bezetting van
Irak vinden geen enkele legitimatie in het internationaal recht en zijn
bovendien fundamenteel in strijd met het internationaal verdragsrecht en
internationaal gewoonterecht. De grootschalige verwoestingen van infrastructuur
door de bombardementen en het op grote schaal doden en verwonden van Irakese
burgers door de oorlog vindt geen enkele legimiteit in het internationaal recht. De bezetting van
Irak als gevolg van deze oorlog vindt evenmin enige steun in het internationaal
recht.
6. Op 7 maart 2003 publiceren zestien
professoren van enkele van de meest prestigieuze Britse universiteiten zoals
Oxford, Cambridge, London College en London School of Economics in The Guardian
een brief waarin zij schrijven dat er “op basis van de openbaar gemaakte
informatie in het internationaal recht geen rechtvaardiging bestaat voor het
gebruik van geweld tegen Irak”.
Diverse
juristen delen dit standpunt. (O. Corten e.a. Lettre ouverte aan Eerste
Minister, Minister van Buitenlandse Zaken en Minister van Defentie, maart 2003;
Jean Flamme, Bush en Blair voor het internationaal strafhof?, De Standaard, 11
maart 2003).
Noch
het internationale, noch het nationale recht geven een wettelijke grondslag
voor de transporten van militair materiaal of personen of van voor militair
gebruik bestemd materiaal of personen, over het Belgisch grondgebied of door
het Belgische luchtruim.
7. De Belgische Staat en met name de Belgische
regering maakt zich door het toelaten van de transporten medeplichtig aan
agressie, aan misdaden tegen de vrede, aan inbreuken op het Europees Verdrag
ter bescherming van de rechten van de mens en op het Internationaal verdrag van
de Verenigde Naties van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke
rechten (BUPO), en aan inbreuken op de Belgische genocidewet en de Belgische
strafwet.
De
Belgische Staat en de Belgische federale Eerste Minister als persoon begaan een
onrechtmatige daad door de transporten te laten plaatsvinden.
Terecht
stelt verweerder dat de al of niet toepassing van het akkoord van 19 juli 1971
tussen de V.S.A. en België een essentiele kwestie is in de huidige betwisting. Concluanten
zijn van mening dat dit verdrag geen enkele juridische grondslag levert voor de
transporten.
II.
Vordering
8. Concluanten vragen dat aan verweerder verbod
wordt opgelegd om zolang de oorlogssituatie in Irak en de bezetting van Irak
niet is beëindigd, minstens voor een periode van drie maanden ingaand op de
datum van de tussen te komen beschikking, het Belgische grondgebied, de
Belgische lucht- en zeehavens, het Belgische luchtruim te laten gebruiken door
de V.S.A. en door het V.K. voor ieder
transport van militaire troepen en militair materiaal, wapens,
communicatiemiddelen, logistieke middelen, uitrusting of andere materiële
middelen of aanverwanten die direkt of indirekt bestemd zijn voor de
oorlogsvoering van en de bezetting door de V.S.A. en van het V.K. van de republiek Irak.
Tevens
wordt gevraagd dat verweerder bij gebreke aan opvolging van vermeld verbod
veroordeeld wordt tot betaling aan concluanten samen van een dwangsom van 1
miljoen euro per door een Gerechtsdeurwaarder of via officiële stukken
vastgestelde inbreuk op het verbod.
Verder
vragen concluanten te bevelen dat binnen de vijf dagen na tussenkomst van de te
vellen beschikking alle niet openbare akkoorden tussen België en de V.S.A.,
zowel deze die op regeringsniveau als deze die tussen de militairen van de
beide landen werden afgesloten en die betrekking hebben op de transporten door
de V.S.A. van militaire troepen en militair materiaal, wapens,
communicatiemiddelen, logistieke middelen, uitrusting of andere materiële
middelen of aanverwanten worden overgelegd aan concluanten op straffe van het
betalen van een dwangsom van 10.000 euro per dag en per akkoord dat niet wordt
overgelegd.
III.
In Rechte
&1. Beweerde
nietigheid van de dagvaarding wegens schending van de taalwet Gerechtszaken
9. Verweerder stelt dat de dagvaarding zou
nietig zijn omdat er een aantal citaten in het Engels in opgenomen zijn.
10.
Verweerder duidt geen specifiek artikel in de taalwet gerechtszaken van 15 juni
1935 aan dat de nietigheid van de dagvaarding zou meebrengen. Dergelijk artikel
bestaat niet. In fine op pagina 8 van de besluiten verwijst verweerder naar
artikel 40 van de taalwet gerechtszaken, doch dit artikel heeft het over
“vorenstaande regels” die voorgeschreven zijn op straffe van nietigheid. Verweerder
duidt niet aan welke van vorenstaande regels van toepassing zouden zijn. Geen
enkele van de vorenstaande regels (bedoeld zijn de artikels 30-39 van de
taalwet gerechtszaken) is in casu van toepassing.
Ingevolge artikel 860 gerechtelijk wetboek
kan een proceshandeling niet nietig worden verklaard indien de wet de
nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen.
De
dagvaarding kan bijgevolg niet nietig worden verklaard.
11. Ondergeschikt,
Verweerder
steunt zich op voorbijgestreefde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 1988.
Dit
arrest had als basis artikel 43 van het gerechtelijk wetboek waarin bepaald
wordt dat op straffe van nietigheid het exploot van betekening door de
optredende gerechtsdeurwaarder ondertekend moet zijn en vermelden… 5° de naam
en de voornaam van de gerechtsdeurwaarder zn het adres van zijn kantoor”. In
casu gaat het daar niet over.
Dit
arrest had verder als basis artikel 862, &1 van het gerechtelijk wetboek
dat bepaalde: “De regel van artikel 861 geldt niet voor een verzuim of
onregelmatigheid betreffende (…) 10° het taalgebruik in gerechtszaken”.
Artikel
861 gerechtelijk wetboek bepaalt: “De rechter kan een proceshandeling alleen
dan nietig verklaren, indien het aangehaalde verzuim of de aangeklaagde
onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.”
Intussen
is door artikel 34 van de wet van 3 augustus 1992 artikel 862, &2 van het
gerechtelijk wetboek gewijzigd in die zin dat & 1, 10° is weggelaten.
Dit
betekent dat artikel 861 gerechtelijk wetboek wel van toepassing is.
Dit
sluit aan bij de tendens in de wetgeving en rechtspraak om onregelmatigheden,
quod non, enkel dan te sanctioneren met nietigheid als er belangschade is of
als het normdoel niet werd bereikt (artikel 867 gerechtelijk wetboek).
Het
is duidelijk dat de enkele korte citaten in het engels in een dagvaarding die
16 bladzijden lang is de belangen van verweerder niet schaadt.
Verweerder
werpt het geschaad zijn van zijn belangen trouwens niet op in zijn initiële
conclusie. Verweerder repliceert in besluiten op ondermeer de engelstalige
citaten, wat bevestigt dat hij er geen probleem mee heeft. Bovendien is het
duidelijk dat zij de engelse taal machtig is; verweerder is de Belgische eerste
minister. Verweerder gebruikt zelf stukken in het engels ondermeer stuk 1
(Agreement van 1971), waarvan trouwens geen nederlandstalige versie bestaat. De
korte citaten in de dagvaarding komen uit officiële ‘diplomatieke’ aan
verweerder goed bekende teksten zoals de resolutie 1441 van de V.N., het
standpunt van de secretaris generaal van de V.N. in verband met het Joegoslavië
tribunaal en het engelstalig akkoord van 1971 tussen België en de V.S.A. .
Bovendien
staat de zakelijke inhoud van de citaten wel degelijk in het nederlands als
korte samenvatting voor of na de citaten vermeld, zoals een eenvoudige lezing
van de nummers 22, 29, 38 en 43 leert. De citaten illustreren de aangeduide
stellingname.
Verweerder
kan dan ook niet ernstig volhouden dat haar belangen zijn geschaad.
Zelfs
in deze ondergeschikte orde moet aanvaard worden dat de dagvaarding niet nietig
is.
&2. Gebrek aan rechtsmacht
Verweerder
stelt dat de rechtbank om drie redenen geen rechtsmacht heeft om zich over de
vordering uit te spreken. Deze argumentatie van verweerder gaat niet op.
A.
Het werkelijk voorwerp van de vordering zou de schorsing van een
overheidshandeling zijn.
12. Concluanten zouden volgens verweerder via een
“verhullende formulering” in feite de schorsing erga omnes beogen van een
overheidshandeling.
De
door concluanten gevraagde maatregelen zijn duidelijk en in geen enkele mate
“verhullend”. Zij vragen dat maatregelen worden bevolen die de aantasting van hun
rechtmatige subjectieve rechten zouden doen ophouden.
De
dagvaarding maakt dit duidelijk.
13.
De Voorzitter in kortgeding is bevoegd en niet de Raad van State.
13.a.
-“Vooreerst dient de justitiële rechter in kort geding geacht bevoegd te zijn
gebleven wat de handelingen van het bestuur betreft die geen krachtens artikel
14&1 Raad van State-wet vernietigbare handeling uitmaken”. (A. Mast e.a.,
Overzicht van het Belgisch administratief recht, Kluwer Antwerpen, 1999, p.
905).
In
casu steunt de houding van verweerder in verband met de transporten op een
geheim akkoord van 1971 en op andere geheime akkoorden. Concluanten kunnen niet
de vernietiging vragen van een in principe niet gekend akkoord. Verder heeft de
Belgische Staat geen enkele recente beslissing genomen waarvan de vernietiging
eventueel zou kunnen gevraagd worden. Integendeel: zij huldigt naar haar eigen
mededelingen een passieve houding ten aanzien van de transporten.
Peter Moors, diplomatiek adviseur van verweerder,
schrijft in De Standaard van 1 april 2003: “Heeft
de Belgische regering haar toestemming gegeven? Nee, want dat hoefde helemaal
niet. Artikel 1 van het akkoord van 1971 handelt over de opening van een
communicatielijn waardoor Amerikaans materiaal en troepen over Belgisch
grondgebied kunnen worden getransporteerd. Het artikel maakt een onderscheid
tussen vredestijd en periodes van internationale spanning. In vredestijd kunnen
beide landen in onderling akkoord besluiten om een communicatielijn te openen. Maar
in periodes van internationale spanning kunnen de Verenigde Staten dat
eenzijdig doen. Dat is ook precies wat ze deden, op 29 januari 2003”. (stuk 18
concluanten).
13.b.
-“De justitiële rechter in kort geding moet evenzeer nog bevoegd worden geacht
wanneer het werkelijke voorwerp van het geschil een subjectief recht betreft
dat in hoofde van de eiser rechtstreeks wordt bedreigd of geschonden, in welk
verband trouwens de artikelen 144 en 145 Grondwet in herinnering kunnen worden
gebracht.” (A. Mast, e.a. , op. cit., p. 905-906).
De
artikels 144 en 145 van de Grondwet kennen de geschillen over burgerlijke en
politieke rechten bij uitsluiting toe aan de rechtbanken (behoudens wat de
politieke rechten betreft bij wet gestelde uitzonderingen die in casu niet van
toepassing zijn).
“Elke
schade (aantasting van rechtmatig belang) die veroorzaakt is door een
onrechtmatig overheidsbesluit levert een subjectief recht op schadevergoeding
op (artikel 1382 B.W.). … Het subjectief recht waarover het hier gaat is het
recht op schadevergoeding. .. Wanneer evenwel de schade zelf bestaat in de
aantasting van een subjectief recht tegenover de Overheid waaraan een dwingende
plicht van de Overheid beantwoordt, is alleen de rechter bevoegd om voorlopige
maatregelen te bevelen ter vrijwaring van het subjectief recht”.
(B.
Van Dorpe, De wet van 19 juli 1991 betreffende het administratief kort geding,
R.W. 1991-1992, p. 1387).
Zoals
uit de dagvaarding blijkt steunt de vordering op de aantasting van de
subjectieve rechten en subjectief politieke rechten van concluanten. De Raad
van State is bijgevolg niet, de rechter in kortgeding, is wel bevoegd.
13.c.
-Voor de volledigheid wordt er nog op gewezen dat “uit de evolutie van de
rechtspraak van het Hof van Cassatie kan worden afgeleid dat in sommige
gevallen een ‘parallelle’ bevoegdheidsverdeling tussen de administratieve en de
burgerlijke kortgedingrechter mogelijk is, d.w.z. dat beiden bevoegd zijn om op
te treden in eenzelfde zaak, zij het vanuit een ander oogpunt". (A. Mast,
op. cit., p. 906; zie voetnoot in verband met standpunt van D. Lindemans:
“Conclusie van de voormelde auteur is dat meestal een schorsingsberoep bij
zowel de Raad van State, als de burgerlijke kortgedingrechter mogelijk is
wanneer de concluant/eiser optreedt tegen de begunstigde van een zogeheten
‘permissieve akte’, doch dat dit veel minder het geval is wanneer hij optreedt
tegen de overheid zelf, die te zijnen opzichte een verplichting miskent. Beantwoordt
die verplichting aan een subjectief recht in zijnen hoofde en beroept hij zich
op de schending van de regel die deze verplichting instelt, dan is de
burgerlijke rechter exclusief bevoegd”).
B.
De Belgische rechter zou zich niet mogen uitspreken over aangelegenheden
van buitenlands beleid en over de uitvoering van internationale akkoorden
14. De oude door verweerder aangehaalde
rechtspraak (van 1872, 1952, 1963 en 1969) is, voor zover ze al over het zelfde
voorwerp zou gaan, quod non, alleszins achterhaald.
15. De bevoegdheidsverdeling tussen rechtelijke
en uitvoerende macht verbiedt de rechter bestuurlijke functies uit te oefenen,
maar verplicht hem recht te spreken om het geschil tussen partijen te
beslechten. De rechterlijke macht heeft aldus de bevoegdheid de Overheid te
veroordelen tot betaling of om iets te doen of niet te doen omdat het
rechtssubject het recht heeft tegenover de Overheid zijn rechten te doen gelden
voor de rechtbanken. Er is geen principiële ontoelaatbaarheid van een vordering
tegen de Overheid of een onbevoegdheid van de rechterlijke macht. (B. Van
Dorpe, op. cit., p. 1387).
In
zijn arrest van 21 maart 1985 heeft het Hof van Cassatie overwogen “dat de
rechter in kort geding zich niet mengt in de bevoegdheden van de uitvoerende
macht, wanneer hij in een uitspraak bij voorraad in een geval dat hij
spoedeisend acht, zich bevoegd verklaart om, binnen de grenzen van zijn
opdracht, aan de bestuursoverheid maatregelen, inzonderheid verbodsmaatregelen,
op te leggen die noodzakelijk zijn ter voorkoming of stopzetting van een
ogenschijnlijk foutieve aantasting door de overheid van de subjectieve rechten
die de hoven en rechtbanken moeten vrijwaren”. (Pas. 1985, I, 908, met advies
van adv.-gen. Velu).
“De
rechterlijke macht is bevoegd om de door het bestuur bij de uitoefening van
zijn discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatigheid vast te stellen. Het
voorschrift van artikel 485 Ger. W. verbiedt de rechter in kortgeding niet een
voorlopige maatregel te nemen als het bestaan van een recht voldoende
waarschijnlijk is om het nemen van die beslissing te verantwoorden.” (Cassatie 25 april 1996, R.W. 1996-1997, p.
432).
16. Sinds 1956 heeft de rechtspraak steeds
frequenter de bevoegdheid erkend van de gewone rechter voornamelijk in kort
geding om maatregelen te nemen ter bescherming van de subjectieve rechten van
een slachtoffer van een onwettig overheidsoptreden. Bij flagrante wetsschenis
waardoor een onbetwistbaar recht werd geschonden, vond de theorie van de ‘voie
de fait’ een vruchtbare bodem bij de kortgedingrechter. Deze onder invloed van
het Franse recht ingevoerde theorie van de administratieve feitelijkheid werd
als te beperkend verworpen door het Hof van Cassatie omdat de rechterlijke
macht bevoegd is tot bescherming en herstel van elke foutieve aantasting van
een subjectief recht door de Overheid. (B. Van Dorpe, o.c., p. 1387).
17. Ook het door verweerder aangehaalde arrest
van de Raad van State dd. 9 april 1998 ondersteunt evenmin de thesis dat een
Belgische rechter zich niet zou mogen uitspreken over aangelegenheden van
buitenlands beleid en de uitvoering van internationale akkoorden.
De
Raad van State stelt: “qu’en raison de sa nature, l’acte par lequel l’Etat
accréditaire informe (eigen
cursivering) l’Etat accréditant qu’un
membre du personnel diplomatique est persona non grata échappe à la compétence
du juge de l’excès de pouvoir”, (vrije vertaling: “omwille van zijn aard
ontsnapt de akte waarmee de accrediterende staat de geaccrediteerde staat
informeert dat een lid van het diplomatiek personeel persona non grata is aan
de rechter die de machtsoverschrijding moet beoordelen”). Het arrest
verduidelijkt verder nadat het gesteld heeft dat het aan de accrediterende
staat behoort een persona non grata terug te roepen: “que la décision de l’Etat
accréditaire qui par elle-même n’a pas d’effet en droit, ne peut être soumise à
la censure du Conseil d’Etat” (vrije vertaling: “dat de beslissing van de
accrediterende staat die op zichzelf geen rechtsgevolgen heeft, niet aan de
censuur van de Raad van State kan onderworpen worden”).
Het
is dus duidelijk dat uit vermeld arrest geen argument voor de stelling van
verweerder kan geput worden.
C.
De Belgische rechter dient zich niet uit te spreken over soevereine
handelingen van een andere staat
18. Concluanten vragen niet dat de
kortgedingrechter zich zou uitspreken over de soevereine handelingen van de
V.S.A. of het V.K. .
Concluanten
vragen dat de rechtbank zich zou uitspreken over de schendingen van het
internationaal en nationaal recht door de Belgische staat.
De
rechtbank kan in het kader van de tegen de Belgische staat gevraagde
maatregelen wel kennis nemen van de schendingen van het internationaal recht
door de V.S.A. en het V.K. met betrekking tot de oorlog tegen Irak. Zoals
verweerder zelf stelt dienen hoven en rechtbanken geen gevolgen te geven aan
beslissingen van vreemde staten indien deze in strijd zijn met het
internationaal recht. (pagina 12 besluiten verweerder). Verweerder spreekt
zichzelf bovendien tegen. De door verweerder geciteerde (p. 14 besluiten)
professor Ergec erkent dat nationale rechtscolleges bevoegd zijn om schendingen
van het internationaal recht te sanctioneren, al is het ‘met uiterste
voorzichtigheid’.
Strikt
genomen kan de rechtbank voor het nemen van de gevraagde maatregelen zich
trouwens beperken tot de controle op de legaliteit van het optreden van de
Belgische Staat in verband met de transporten zonder zich in enige mate te
moeten uitspreken over de legaliteit van de oorlog tegen Irak.
19. Het is evenmin juist te stellen dat de
vordering “de contouren van een kort geding ver overschrijdt” omdat een analyse
van de internationaalrechtelijke legaliteit van de militaire operaties een
nauwgezet en grondig onderzoek zou vergen. (pagina 14 besluiten verweerder). Het
specifieke van het kort geding is juist “dat de rechter zijn beslissing kan
steunen op een voorlopige beoordeling van de grond van de zaak en kan dus – op
al dan niet diepgaande wijze – nagaan wat de vermoedelijke rechtspositie van de
partijen is”. En: “In tegenstelling tot zijn vroegere rechtspraak vereist het
Hof van Cassatie vandaag niet meer dat geen ernstige betwisting bestaat over de
ingeroepen rechtssituatie. (Cassatie
29 september 1983, Pas. 1984, I, 72). Ook indien grote onduidelijkheid bestaat over de uitkomst
van het bodemgeschil, kan de rechter in kort geding bepaalde maatregelen bevelen,
zij het in principe geen verregaande maatregelen. Niet-evidente rechten kunnen
met andere woorden ook bescherming genieten in kort geding”.
(S.
Beernaert, Algemene principes van het civiele kort geding, R.W. 2001-2002, p.
1348).
Zoals
concluanten verder aantonen is de schending van de principes van het
internationale en nationale recht in casu zelfs evident. Maar zelfs zo dit niet
het geval zou zijn, quod non, dan nog dienen maatregelen te worden bevolen
wanneer er “een ogenschijnlijke foutieve aantasting is van een subjectief
recht”, wanneer er “een onwettig overheidsoptreden is”, wanneer “het bestaan
van het recht voldoende waarschijnlijk is”.
20. De Act of State-doctrine kan niet zover gaan
dat zij de hoven en rechtbanken verbieden op te treden tegen op het eerste zich
evidente schendingen van het internationaal recht. De tendens in het
internationaal recht is trouwens dat meer en meer controle wordt ingebouwd (bv.
Europese gerechtshoven, International Criminal Court, Belgische genocidewet…)
op de handelingen van andere staten of van burgers van andere staten. Verder is
het betwistbaar dat de vertaling van “actes” in het boek van F. Rigaux en M.
Fallon, Droit International privé, verder kan gaan dat het nederlandse “akte”,
waar de vertaling van verweerder dit uitbreidt tot alle handelingen van de
vreemde staat. Klassiek is aanvaard dat een akte van een vreemde staat (bv.
beslissing tot terugname van een vreemdeling) niet op haar wettigheid door de
Belgische rechtbanken kan onderzocht worden. Maar dit uitbreiden tot alle
“handelingen” van een vreemde staat is niet aanvaardbaar.
De
door verweerder geciteerde Belgische rechtspraak gaat in de vermelde gevallen
over specifieke akten en niet over algemene handelingen van een vreemde staat.
21. In tegenstelling tot wat verweerder steeds
zelf heeft gesteld wordt thans in besluiten opgeworpen “dat het in casu evenwel
niet boven enige twijfel verheven is dat de militaire operaties de toets van
het internationaal recht niet kunnen doorstaan”.
Verweerder
gaat zelfs verder en verwijst naar professor Marc Cogen die het “preventief
militair optreden” verdedigt.
Het
is merkwaardig dat de Belgische eerste minister dit standpunt inneemt, al is
het “louter bij wijze van illustratie”, daar de Belgische regering zich steeds
op het standpunt heeft gesteld dat een nieuwe resolutie van de
V.N.-veiligheidsraad nodig was voor een oorlog in Irak.
“… en indien men
beslist tot een operatie, dan zeggen wij dat daarvoor een tweede, duidelijke
VN-resolutie in elk geval noodzakelijk is om dat te doen. … “.
en, “… et enfin, en cas d’opération, si l’Irak refuse totalement de faire quoi
que ce soit après les constats, il faut une deuxième résolution, …” ( vrije vertaling: “ … en tenslotte, in geval van een optreden, indien Irak
volledig weigert wat ook te doen na de vaststellingen, dan is een tweede
resolutie noodzakelijk…”).
(premier Verhofstadt, kamerdebat 17 januari 2003, stuk 4
verweerder).
21.a. In tegenstelling tot wat verweerder stelt
staat het wel boven twijfel dat er geen legitimatie is voor de oorlog van de
V.S.A. en het V.K. tegen de republiek Irak. Het geweldverbod, dat een pijler van de internationale rechtsorde,
wordt door de oorlog geschonden.
Zowel
België als de V.S.A. en het V.K. (en Irak) zijn lid van de Verenigde Naties en
hebben bijgevolg de verplichtingen onder het Handvest van de Verenigde Naties
van 26 juni 1945 onderschreven.
Deze
verplichtingen gaan voor op enig ander
verdrag (art. 103 Handvest) en hebben derhalve
een constitutionele draagwijdte voor de internationale gemeenschap ( Jan
Wouters, hoogleraar internationaal recht aan de KU Leuven, Juridische
argumentatie Irak-oorlog in strijd met het internationaal recht, Juristenkrant
26 maart 2003, p. 11).
De
internationale rechtsorde zoals neergelegd in het Handvest is gebaseerd op de
soevereiniteit van de staten (artikel 1 BUPO).
De VN
werden na de tweede wereldoorlog opgericht vanuit een vastberadenheid om “komende geslachten te behoeden voor de
gesel van de oorlog “.
21.b. Eén van de hoofdbeginselen die de leden van
de VN moeten respecteren, is dat zij zich “in
hun internationale betrekkingen onthouden … van bedreiging met of het gebruik
van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid
van een Staat” (art. 2, lid 4, VN Handvest). VN-leden dienen hun conflicten
vreedzaam op te lossen (art. 2, lid 3 VN Handvest).
Het
geweldverbod is een pijler van de internationale rechtsorde.
Het
VN-Handvest kent op dit geweldverbod slechts
twee uitzonderingen :
1. geweldgebruik toegestaan door de Veiligheidsraad, die
de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de handhaving van de
internationale vrede en veiligheid.
2. het inherente recht tot individuele of collectieve
zelfverdediging in geval van een gewapende aanval, totdat de Veiligheidsraad de
noodzakelijke maatregelen ter handhaving van de internationale vrede en
veiligheid heeft genomen (artikel 51 VN Handvest).
De
oorlog van de V.S.A. en het V.K. tegen de republiek Irak is een schending van
het agressieverbod (misdaad van agressieve oorlogsvoering).
Gezien
het Handvest van de Verenigde Naties aan de Veiligheidsraad de exclusieve
bevoegdheid toewijst om op te treden met betrekking tot de bedreiging van de
vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie (Hoofdstuk VII Handvest)
dient hieruit a contrario te worden afgeleid dat geen andere internationale
instantie dan de Verenigde Naties hiertoe bevoegd is en dus zeker geen ander
land.
De
V.S.A. en het V.K. zijn op eigen houtje
een oorlog begonnen zonder instemming
van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
21.c. Het verbod
van interstatelijk geweldgebruik vormt voor het Internationaal
Gerechtshof in Den Haag daarenboven een regel van internationaal
gewoonterecht (Nicaragua-arrest 1986).
De
International Law Commission van de Verenigde Naties acht dit zelfs een norm
van dwingend volkerenrecht (ius cogens) .
21.d. Geen enkele resolutie van de
VN-veiligheidsraad legitimeert het oorlogsgeweld in Irak.
Op
geen enkele wijze kan resolutie 1441 gezien worden als een bevestiging dat er
geen bijkomende resolutie nodig is (Jan Wouters, op. cit., p. 11).
In
punt 14 van de resolutie wordt trouwens uitdrukkelijk gesteld: “Decides to
remain seized of the matter”. (Vrije vertaling: “Beslist gevat te blijven door
deze aangelegenheid”).
Bovendien
blijkt dit uit het feit dat drie permanente leden van de Veiligheidsraad
(Frankrijk, China, Rusland) op de dag van de stemming van resolutie 1441 een
gezamenlijke verklaring aflegden waarin zij stelden dat de resolutie elk automatisch geweldgebruik uitsluit
en dat het aan de Veiligheidsraad toekomt hierover een Besluit te nemen.
Het
gegeven dat de V.S.A. en het V.K. nog in laatste instantie zelf een nieuwe
resolutie hebben willen laten stemmen die geweld zou toelaten bevestigt
vermelde stelling.
De Belgische
Staat zelf heeft steeds het standpunt verdedigd dat resolutie 1441 geen
toelating inhield tot oorlogsgeweld.
21.e. Concluanten verwijzen uitdrukkelijk naar het
artikel van professor Jan Wouters waarin hij op gedetailleerde wijze de
stellingen weerlegt die verdedigen dat de vroegere V.N.-resoluties over Irak
een machtiging zouden geven voor nieuw geweld. (Jan Wouters, Juridische
argumentatie Irak-oorlog in strijd met het internationaal recht, De
Juristenkrant, 26.3.2003, p. 11).
“… Ik kan deze
redenering niet onderschrijven. Het valt moeilijk in te zien hoe men een twaalf
jaar oude machtiging tot geweldgebruik, gegeven in een volstrekt andere context
– namelijk het ongedaan maken van de invasie en de bezetting van Koeweit door
Irak in 1990-91 – vandaag tot nieuw leven kan brengen indien de Veiligheidsraad
niet uitdrukkelijk zelf die intentie heeft geformuleerd. A fortiori zie ik niet
in hoe die machtiging thans de toelating zou impliceren om met geweld een
regimewisseling (‘regime change’) af te dwingen. Hoe kan men trouwens resolutie
1441 zien als een bevestiging dat geen nieuwe resolutie nodig is voor het
toelaten van geweld, nu op de dag zelf dat zij werd aangenomen drie permanente
leden van de Veiligheidsraad (Frankrijk, Rusland en China) een gezamenlijke
verklaring aflegden waarin zij – met verwijzing naar verklaringen van de Britse
en Amerikaanse vertegenwoordiger – stelden dat deze resolutie elk automatisme
inzake geweldgebruik uitsluit en dat het aan de Veiligheidsraad toekomt
hierover een besluit te nemen? Dat de Veiligheidsraad ‘impliciet’ een
machtiging tot geweldgebruik zou hebben gegeven, lijkt ons een onhoudbaar
standpunt gelet op het fundamenteel karakter van het geweldverbod.”
Diverse
andere juristen hebben hetzelfde standpunt verdedigd (zie stukken 10, 13, 15,
16 en 17 concluanten).
21.f. Ten overvloede wordt er op gewezen dat de
Veiligheidsraad geen « impliciete » machtiging heeft gegeven tot
geweldgebruik en dit gelet op het fundamenteel karakter van het geweldverbod.
Artikel
51 van het VN-Handvest stelt dat er enkel sprake is van een zelfverdediging
« in geval van gewapende aanval ». Er is geen sprake van een aanval
door Irak. De oorlog wordt bijgevolg evenmin gelegitimeerd door het recht op
zelfverdediging in hoofde van de V.S.A. of het V.K..
&3. Gebrek aan belang?
22. Artikel 17 gerechtelijk wetboek bepaalt dat
de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft
om ze in te dienen. De rechtspraak heeft dit geïnterpreteerd als een
persoonlijk en rechtstreeks belang.
23. Verweerder verwart het gegeven dat de
overgrote meerderheid van de Belgische bevolking tegen de transporten van
Amerikaans militair materiaal en personeel over het Belgisch grondgebied is, en
dat de door concluanten ingestelde vordering “populair” is in die zin dat ze
aansluit bij de verzuchtingen van de overgrote meerderheid van de Belgische (en
Irakese) bevolking, met het feit dat het in casu zou gaan om een actio
popularis in die zin dat “geen eigen belang” maar een “algemeen belang” door
concluanten zou worden nagestreefd.
Zelfs
zo de vordering ook het verdedigen van een “algemeen belang” indirect voor
gevolg zou kunnen hebben, houdt dit niet in dat concluanten geen blijk geven
van een persoonlijk en rechtstreeks belang, dus van een eigen belang. Verweerder
stelt het ten onrechte zo voor alsof het ofwel het ene ofwel het andere is. Een
persoonlijk en rechtstreeks belang kan om evidente redenen en in bepaalde
rechtszaken willens nillens samenvallen met een algemeen belang.
24. Een moreel belang volstaat:
“Een
moreel belang volstaat voor de tussenkomende partijen, die stelden te ijveren
voor het behoud van het Nederlanstalig karakter van de faciliteitengemeente, en
op die manier ook eigen belangen verdedigden. Dat dit belang wordt gedeeld met
andere inwoners van de gemeenten, hoeft daarom nog niet te betekenen dat er
sprake zou zijn van een actio popularis.”
(Beslagrechter
Brussel, 17 oktober 2000, L.R.B. 2001, 52).
Een
persoonlijk en rechstreeks belang kan dus ook een moreel belang betekenen en
dit moreel belang volstaat.
.
25. Verweerder stelt dat concluanten “politieke
doelstellingen nastreven veeleer dan persoonlijke belangen”. Zoals hoger gezegd
belet het één het ander niet.
Maar
anderzijds is het natuurlijk zo dat bepaalde concluanten die ook een politieke
opstelling hebben in verband met de oorlog in Irak ook blijk geven van
persoonlijk belang, moreel en/of materieel.
Concluanten
hebben trouwens in hun eigen stukken hun politieke stellingname duidelijk
gemaakt. Maar hieruit afleiden dat zij om die reden geen eigen belang kunnen
laten gelden is volkomen eenzijdig en onjuist.
26. Eerste en tweede concluant zijn
respectievelijk urgentie-arts en kinderarts en verbleven enkele weken als
artsen in Bagdad met een missie van de VZW Geneeskunde voor de Derde
Wereld, waar zij de slachtoffers van de
oorlog en inzonderheid van de bombardementen medische bijstand verlenen.
Eerste
en tweede concluant maken tot op vandaag melding van minstens twee ernstige
bominslagen op burgerdoelwitten in Bagdad: op 25 maart 2003 op het middaguur op
de snelweg in Sha’ab 20 doden en tientallen gewonden, en op 29 maart 2003 door
een kruisraket op de Al-Nasser markt in de Shu’ ala-wijk waarbij minstens 55 doden
en tientallen gewonden vielen.
Zij
informeren dat er dagelijks burgerslachtoffers vallen en vielen door de
bombardementen en door het hard militair optreden tegen elke verzet tegen de
bezetter.
Zij
maakten melding van bominslagen op zeer korte afstand van het hotel Palestine
waar zij overnachtten.
Eerste
en tweede concluant wijzen verder op de ernstige aantasting van het
voedseldistributiesysteem, van de elektriciteitsvoorziening, van de
drinkwatervoorziening en het rioolsysteem en van de medische infrastructuur in
Bagdad en andere Irakese steden als gevolg van de oorlog.
27. Derde concluant is algemeen chirurg in het
Al Anour ziekenhuis in de wijk Shu’ala te Bagdad, Irak. Hij bevestigt zijn
dringende oproep om de barbarij en alles wat ertoe bijdraagt te stoppen. Hij
werd als arts geconfronteerd met de doden en gewonden van de raketinslag van 29
maart 2003 in de wijk waar zijn ziekenhuis is gevestigd. Als burger van Irak
klaagt hij de onwettigheid van de oorlog en de schending van de soevereiniteit
van zijn land aan.
Hij
wordt nog dagelijks geconfronteerd met de slachtoffers van de militaire
agressie en van de bezetting en stelt dat hij materieel, fysisch en moreel
belang heeft bij de stopzetting van de agressie en bezetting.
28. Vierde concluant is woordvoerder van de
vredesbeweging Stop.USA (Stop United States of Agression) en is als dusdanig
een belangrijke spreekbuis van de Belgische publieke opinie die in grote
meerderheid gekant is tegen de agressieoorlog tegen Irak en tegen de
oorlogstransporten die door de Belgische regering worden toegelaten. Hij wijst
erop dat de brede publieke opinie in dit land, gaande tot en met
oppositiepartij CD&V de regering aanklaagt omdat zij de transporten
toelaat. Als woordvoerder van een belangrijk deel van de Belgische publieke
opinie en in persoonlijke naam heeft hij belang bij het stopzetten van de
transporten. De zending van de twee vermelde artsen in Bagdad is
medegeorganiseerd door de beweging waarvoor vierde concluant woordvoerder is. Bijgevolg
volgt het belang ook uit de medeverantwoordelijkheid van vierde concluant voor
de zending van de artsen in Bagdad en de daaraan gekoppelde doeleinden. Eerste
en tweede concluant zijn onderschrijvers van het platform van de beweging
Stop.USA en eerste concluant is specifiek één van de woordvoerders van de
afdeling regio Aalst van die anti-oorlogsbeweging.
29. Vijfde concluant is voorzitter van de
vereniging SOS-Irak die na de eerste golfoorlog werd opgericht ter
ondersteuning van de Irakese bevolking die slachtoffer was van het
handelsembargo. Op dit ogenblik organiseert de vereniging materiële, morele en
politieke ondersteuning van en solidariteit met het Irakese volk dat gebukt
gaat onder de oorlog en bezetting. De vereniging SOS-Irak is mede-organisator
van de missie van de artsen in Bagdad en heeft in die zin een
verantwoordelijkheid tegenover deze personen.
30.
Zesde concluant is als journalist herhaaldelijk op onderzoek geweest naar Irak
en stelt dat hij als onderdaan van België vanuit het internationaal recht en het
volkenrecht niet kan aanvaarden, noch moreel, noch juridisch, noch politiek dat
België medeplichtig is aan de oorlog tegen en de bezetting van Irak.
31. Het persoonlijk en rechtstreeks belang van
concluanten blijkt duidelijk: dit belang is
voor
derde concluant alleszins fysisch, materieel en moreel en politiek
volkenrechtelijk voor wat betreft de schending van de soevereiniteit van zijn
land,
voor
eerste en tweede concluant als artsen die in Bagdad gewerkt hebben fysisch,
materieel en moreel gezien hun betrokkenheid bij hun patienten,
voor
vierde, vijfde en zesde concluant minstens politiek en moreel.
32.
Uit het hogervermelde in verband met het belang blijkt duidelijk dat alle
concluanten een daadwerkelijk voordeel halen uit de vordering. Het is duidelijk
dat hun belang wezenlijk verschilt van dat van elke doorsnee Belgische burger.
33.
Het is nogal cynisch om tegen de stukken van het dossier in en tegen de
vermeldingen in de media in te betwisten dat de eerste drie concluanten zich op
het ogenblik van de dagvaarding in Bagdad bevonden en dat eerste en derde
concluant zich er op datum van redactie van de besluiten nog bevinden. Zij
leggen twee video-tapes neer die één en ander voor zover als nodig bevestigen.
34.
De belangen blijven actueel zoals hoger en verder aangetoond. De bombardementen
zijn weliswaar, alleszins voorlopig gestopt, voor wat betreft Bagdad, maar de
bezetting duurt verder en is militair. De transporten over Belgisch grondgebied
en via het luchtruim blijven verder gaan.
Alleszins
voor eerste en derde concluant blijft de eigen fysische integriteit in gevaar.
35.
Er is nog steeds de staat van oorlog, het getransporteerde materiaal via België
is militair materiaal bestemd voor de bestendiging van de bezetting en van de
repressie tegen elk gewapend en zelfs ongewapend verzet van de Irakese
bevolking.
&4. Beweerd gebrek aan
hoogdringendheid
36. De door verweerder geciteerde
Cassatieprincipes zijn gekend: spoedeisend karakter, urgentie beoordeeld op
ogenblik uitspraak, urgentie niet te wijten aan eiser (rechtspraak is op dit
punt genuanceerder dan de automatische ongegrondverklaring die verweerder
hieraan als gevolg verbindt), het niet beantwoorden van de klaarblijkelijke
rechten als de urgentie niet is aangetoond.
De
urgentie is aanwezig “wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om
schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen”. (Cassatie
11 mei 1990, R.W.; S. Beernaert, Algemene principes van het civiele kortgeding,
R.W. 2001-2002, 1341-1350). Dit is in casu overduidelijk het geval voor de
diverse concluanten.
37. Verweerder is erg ongelukkig waar hij
argumenteert (pagina 19 besluiten) “dat indien de eerste drie eisers toch in
zekere mate gevaar zouden lopen het gaat om een gevaar waaraan zij zich uit
vrije wil hebben onderworpen”, om hieruit dan af te leiden dat zij zelf de
urgentie hebben veroorzaakt, en zich er dus niet in rechte kan op beroepen.
Verweerder
zet de verantwoordelijkheden fundamenteel op zijn kop. De urgentie is
veroorzaakt door de illegale oorlog van de V.S.A. en het V.K. tegen een
soevereine staat Irak en door het feit dat de Belgische Staat in strijd met
internationale en nationale bepalingen door het toelaten van de transporten de
oorlog en bezetting de facto
ondersteunt.
Precies
deze oorlog met de bombardementen en het mitrailleren en gewelddadig behandelen
van burgers veroorzaken doden en gewonden en het is een medische plicht van
eerste drie concluanten als arts om medische en morele hulp en bijstand te
verlenen aan deze slachtoffers.
Dat
de ziekenhuizen waar thans eerste en derde concluant verblijven geen doelwit
zijn van bombardementen is onjuist. Diverse ziekenhuizen in Bagdad werden
direct of indirect getroffen door de bombardementen. Bovendien maken eerste,
tweede en derde concluant melding van diverse schendingen van het humanitaire
oorlogsrecht, zo ondermeer het doorzeven met kogels door Amerikaanse militairen
van een ambullance van één van de ziekenhuizen waar zij werken (zie stuk). Zij
maken eveneens melding van de massale plundering van de ziekenhuizen onder het
passief toekijken van de Amerikaanse bezettingstroepen.
Bovendien
vertoeven eerste en derde concluant niet enkel in het ziekenhuis maar
verplaatsen zij zich ook in de stad Bagdad.
Er is
een eminente en dagelijkse bedreiging van hun leven en van hun veiligheid.
38. Eerste, tweede en derde concluant verbleven
op het ogenblik van de inleidende dagvaarding in Bagdad. Tweede concluante is
op 16 april 2003 teruggekeerd in België. Eerste en derde concluant verblijven
op het ogenblik van de redactie van deze conclusie in Bagdad. Deze stad werd
gedurende veertien dagen dagelijks zwaar gebombardeerd. Deze stad in inmiddels
militair ingenomen door de legers van de V.S. en het V.K. .
De
oorlogssituatie blijft de levenssituatie van eerste en derde concluant
bedreigen, alsmede die van de patiënten waarvoor zij instaan. Het gevaar is
niet enkel gelegen in de bombardementen, maar ook in de gewapende en militaire
bezetting die gepaard gaat met een scherpe repressie. Het gevaar is tevens
gelegen in de chaos die de bezetting met zich heeft meegebracht, en die,
volgens diverse bronnen, in de hand werd gewerkt door de bezetters.
Het
is zelfs niet uit te sluiten dat de bombardementen die op dit ogenblik
alleszins in Bagdad niet meer plaatsvinden, hernomen worden in geval van
toename van het verzet.
Analyse
van de brokstukken van de raket bewijst dat de 62 doden en tientallen gewonden
die op de markt van Shu’ala, een arme islamitische wijk in Bagdad op 30 maart
2003 gedood werden door een projectiel afgevuurd door het leger van de V.S. .
The
Independent meldt dat het Pentagon toelating gaf om gebruik te maken van het
gas dat in het theater in Moskou bij de ontruiming van een bezetting door
Tsjetsjenen, tientallen doden maakte.
Het
gevaar voor het leven en de gezondheid van eerste en derde concluant zelf en
van de burgers van Bagdad wiens fysieke integriteit zij als artsen moeten
vrijwaren blijft dreigend aanwezig.
Het
is onmiskenbaar dat de transporten en overvluchten bijdragen tot deze oorlogs-
en bezettingslogica.
39. De urgentie is actueel.
39.a. Er zijn nog steeds transporten van
Amerikaans militair materiaal en personeel over het Belgische grondgebied. Zo
werd er op vrijdag 17 april 2003 door vredesactivisten aan de Belgisch-Duitse
grens in het rangeerstation Montzen gedurende enkele uren een Amerikaans
militair transport voor de Antwerpse haven tegengehouden. Zo wordt de 1ste
Armored Brigade, een in Duitsland gelegerde pantserdivisie, naar Irak
overgebracht om het grondleger te versterken voor een langdurige militaire
bezetting van het land. Er komen nog steeds treinen en helicopters in de
Waaslandhaven. Op 18 april 2003 werd het Luxemburgse schip Catherine, dat reeds
eerder Amerikaans militair materiaal vervoerde, in de Antwerpse haven verwacht.
(zie stuk 29, informatie van het Forum voor Vredesactie).
Verweerder
stelt bovendien nergens in conclusie dat de transporten afgelopen zijn.
Bovendien
heerst in Irak nog steeds de toestand van oorlog. Noch de V.S.A. noch het V.K.
hebben de staat van oorlog afgeblazen en de standpunten van de militairen en
politici van beide landen voorspellen dat de staat van oorlog mogelijk nog enkele
maanden zal aanhouden.
Er is
verzet van de Irakese bevolking tegen de bezetting. Er is melding van diverse
massale manifestaties en het schieten door Amerikaanse G.I.’s op deze
betogingen ondermeer in Mosul.
39.b. De V.S.A. heeft bekend gemaakt dat bijkomend
120.000 troepen naar de Golf zullen worden verscheept of overgevlogen. Het gaat
niet om humanitaire hulp maar om militaire versterkingen.
Een
special report van CNN van 31 maart 2003 maakt melding van het overbrengen van
de 1ste Armored Division en van het V Corps van de U.S. Army
gelegerd in Wiesbaden en Heidelberg, Duitsland. Het laat zich raden dat
hiervoor gebruik zal worden gemaakt van het Belgische grondgebied, de Belgische
havens en het Belgisch luchtruim.
Er
waren recent op 17-18 april 2003 nog transporten via de Antwerpse haven.
De
luchthaven van Oostende wordt nog gebruikt voor minstens het bijtanken van
Amerikaanse oorlogsvliegtuigen.
Het
Belgische luchtruim wordt nog gebruikt voor overvluchten van militaire
vliegtuigen met bestemming Irak.
40. Voor derde concluant geldt bovendien de
permanente schending van de soevereiniteit van zijn land en de bedreiging van zijn leven en veiligheid en van dat van
zijn patienten, familie en vrienden. Het is niet omdat Irak thans militair in
de macht is van de V.S.A. en het V.K. dat dit de reeds gepleegde schendingen
van het internationaal recht ongedaan maakt.
De
bedreiging van vermelde rechten en waarden blijft reëel en actueel en de
gewapende bezetting gaat verder.
De
transporten leveren hun bijdrage aan deze bestendiging van de bedreigingen en
schendingen van het internationale en nationale recht.
41. Voor vierde, vijfde en zesde concluant wordt
gewezen op het feit dat zij in eigen naam en als woordvoerders van belangrijke
politieke, humanitaire en solidariteitsbewegingen met Irak een dringende
tussenkomst wensen opdat de medeplichtigheid van de Belgische Staat aan de
agressie en ernstige mensenrechtenschendingen en aan de bestendiging ervan zou
ophouden. Zij hebben hiertoe een dringend politiek, moreel en humanitair belang
en dit belang is persoonlijk.
&5.
Het gevorderde zou onherroepelijke gevolgen hebben en bijgevolg buiten de
rechtsmacht van de rechter in kort geding vallen.
42. Verweerder verwijst naar vier
Cassatie-arresten om te stellen dat de rechter geen maatregelen mag bevelen
waardoor de rechten van partijen op een definitieve en onherstelbare wijze
worden aangetast. De lezing van die arresten maakt duidelijk dat de essentie
van wat het Hof van Cassatie zegt is dat het de rechter niet verboden is de
rechten van partijen te onderzoeken en dat hij maatregelen kan nemen als
voldoende rechtsgrond schijnt aanwezig te zijn om de beslissing te
rechtvaardigen.
Letterlijk
Cassatie 25 april 1996, R.W. 1996-1997, p. 432:
“De
rechterlijke macht is bevoegd om de door het bestuur bij de uitoefening van
zijn discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatigheid vast te stellen. Het
voorschrift van artikel 584 Ger. W. verbiedt de rechter in kortgeding niet een
voorlopige maatregel te nemen als het bestaan van een recht voldoende
waarschijnlijk is om het nemen van die beslissing te verantwoorden. De rechter
in kortgeding is derhalve bevoegd om dringende en voorlopige maatregelen te
bevelen als de aantasting van burgerlijke subjectieve rechten het gevolg is van
het gebruik, door de dader, van een ogenschijnlijk onrechtmatig gegeven
toelating.”
43. Wat dus betreft de voorwaarde “uitspraak bij
voorraad” wordt erop gewezen dat maatregelen in kortgeding kunnen steunen op
evidente en onbetwiste rechten en op voldoende waarschijnlijke rechten. (S.
Beernaert, op. cit., nr. 19). Uit het hogervermelde blijkt duidelijk dat de
Belgische Staat een feitelijke situatie heeft gecreeerd, met name het toelaten
van de transporten, en dit op een onrechtmatige wijze, met name met schending
van de internationale en nationale rechtsnormen die terzake van toepassing
zijn. De rechtspraak erkent dat de Voorzitter zetelend in kortgeding een einde
mag maken aan feitelijke toestanden of aan feitelijkheden die kennelijk tegen
het recht indruisen. (Fetweiss, Kortgeding, nr. 474; S. Beernaert, op. cit.,
nr. 22).
44.
Verweerder stelt dat de gevorderde maatregelen “onomkeerbare gevolgen” zou
hebben voor de Belgische Staat en
verwijst naar persberichten dat de V.S.A. “het nu reeds zeer moeilijk heeft met
de houding van België inzake Irak” en “dat verdere incidenten de
spreekwoordelijke druppel kunnen vormen die de emmer doet overlopen”. Dit
argument onthult de essentie van het standpunt van verweerder, met name dat de
transporten plaats vinden, niet omdat ze juridisch enige grondslag hebben, maar
omdat de Belgische regering toegeeft aan de politieke en economische druk van
de V.S.A.
Het
argument van verweerder is bovendien vanuit juridisch oogpunt zwak en niet
terzake. Met dit argument van politieke druk kan geen rekening worden gehouden,
waar het gaat om een beoordeling van de rechten van partijen. Met dit argument
wordt elke rechterlijke tussenkomst onmogelijk gemaakt, zelfs wanneer het gaat
om een manifeste inbreuk op het nationale en internationale recht, dat dan
inderdaad moet wijken voor politieke en economische belangen en druk.
45. Concluanten vragen inderdaad dat verweerder
verbod wordt opgelegd het akkoord van 1971 “na te leven”, omdat dit akkoord
geen legale basis is voor de transporten. Een onherroepelijk gevolg kan niet
afgeleid worden uit het sanctioneren door de rechtbank van een illegale
praktijk.
&6. Belangenafweging
46. Bij de belangenafweging mag het duidelijk
zijn dat het hier gaat om ernstige rechtsschendingen die zaken van leven en
dood, van gezondheid en blijvende trauma’s betreffen en de rechter is, wanneer
de Belgische Staat haar verantwoordelijkheid terzake niet consequent neemt en
integendeel illegaal handelt, de laatste toevlucht voor de burger.
47.
Wat verweerder in essentie doet is het belang afwegen naar de partijen op zich,
en niet vanuit de door partijen opgeworpen belangen. Het gewicht van de
belangen moet worden afgewogen en niet het gewicht van de partijen. De stelling
van verweerder volgen betekent dat geen enkele burger in feite nog een belang
kan inroepen dat hoger is dan het staatsbelang, omdat de staat altijd zwaarder
weegt dan “zes individuele eisers”.
&7. Beoordeling van de
rechten van partijen
48. Concluanten stellen dat de Belgische Staat
een onrechtmatige daad begaat door het toelaten van de transporten over het
Belgisch grondgebied. Het toelaten van de transporten betekent dat verweerder
internationale en nationale rechtsnormen schendt of medeplichtig is aan haar
schending, zodat haar civiele en/of delictuele aansprakelijkheid in het geding
is. Deze fout of dit misdrijf maakt verweerder aansprakelijk voor de schade
en/of het ernstig nadeel dat concluanten opwerpen. De kortgedingrechter is
bevoegd deze rechtsschendingen en onregelmatigheden onmiddellijk te doen
stopzetten.
Verweerder
stelt dat de rechter zich ervan dient te vergewissen of de ingeroepen
rechtsschendingen vaststaan. Verweerder stelt dat dit niet het geval zou zijn. Concluanten
stellen dat dit overduidelijk wel het geval is en dat dit prima facie blijkt.
49. Verweerder stelt dat de Belgische Staat geen
fout kan verweten worden in de zin van artikel 1382 B.W. .
Het
Hof van Cassatie heeft inderdaad in het arrest van 14 januari 2000, R.W.
2001-2002, p. 1096 gesteld dat de overheid een fout begaat wanneer zij een
handeling stelt (of zich van een handeling onthoudt) “waarin zij ofwel een internationaalrechtelijke bepaling met directe
werking in de interne rechtsorde schendt ofwel grondwettelijke of wettelijke
regels schendt die haar verplichten niets te doen of op een welbepaalde wijze
iets te doen, zodat zij burgerlijk aansprakelijk is ingeval die fout schade
veroorzaakt”.
50. Concluanten hebben de schending van het
internationaal recht en van het nationaal recht door de Belgische staat
ingeroepen.
Wat
de internationaal rechtelijke normen betreft dient inderdaad te worden nagegaan
of zij directe werking hebben in de interne rechtsorde. Dit is in betwisting
voor wat betreft de kwestie van het geweldverbod/bezettingsverbod. Dit kan niet
betwist worden voor wat betreft de andere ingeroepen internationale
rechtsnormen.
A. Wat betreft de geschonden internationale
rechtsnormen.
-Het
geweldverbod of het volkenrechtelijk agressieverbod; de bezetting in het kader
van een oorlog van een soeverein land Irak.
51.
51.a. Zoals hoger gesteld is het geweldverbod en
bezettingsverbod vervat in artikel 2, lid 4 van het Handvest van de V.N.:
“In hun internationale
betrekkingen onthouden alle leden zich van bedreiging met of gebruik van geweld
tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een
staat, en van elke andere handelswijze die onverenigbaar is met de
doelstellingen van de Venerigde Naties”.
De
twee uitzonderingen op deze regel (toestemming Veiligheidsraad en zelfverdediging)
zijn niet van toepassing.
51.b.
Verweerder stelt dat concluanten zich niet op het geweldverbod kunnen beroepen
omdat die geen directe werking heeft in de interne Belgische rechtsorde.
51.c.
Concluanten stellen dat zij beroep kunnen doen op het geweldverbod dat
opgenomen is in artikel 2, lid 4 van het VN-Handvest.
De
rechtstreekse werking ervan in de interne rechtsorde is ondermeer in Nederland
aanvaard als een mogelijkheid:
“Bij deze stand
van de jurisprudentie moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat
onder omstandigheden aan het in het Handvest neergelegde verbod tot agressie en
tot non-interventie rechstreekse werking wordt toegekend. Een argument hiervoor
lijkt ook artikel 15 lid 2 EVRM te verschaffen, dat afwijking van artikel 2
EVRM niet toestaat behalve in geval van dood als gevolg van ‘onrechtmatige
oorlogshandelingen’ “.
(Pres. Rb. Den Haag, van 7 april 1999, KG nummer 99/339
inzake Danikovic c.s. / Staat der Nederlanden).
Het
is juist dat rechtspraak van andere Nederlandse rechtsinstanties een andere
mening is toegedaan. Maar ook deze rechtspraak is aan evolutie onderhevig.
Artikel 2 van het Handvest richt zich niet alleen op de
Leden van de VN, maar ook op de Organisatie van de Verenigde Naties als geheel
en, blijkens de preambule van het Handvest – welke ingevolge het Weense
Verdragenverdrag immers onlosmakelijk deel uitmaakt van het Verdrag als
zodanig -, als het ware over de hoofden van de Leden en de Organisatie heen,
evenzeer op de Volken van de Verenigde Naties, van wiens vredeswil het Handvest
een uitdrukkingsvorm is. Gelet op deze Preambule, gesteld in de 'wij-vorm',
is daarmee het Handvest dan ook eerder een document van de Volkeren dan van de
Staten van de Verenigde Naties.
Ook reeds daarom kan niet worden aangenomen dat artikel 2
lid 4 van dit Handvest zich alleen en uitsluitend tot Staten zou richten.
51.d.
Wat echter niet betwistbaar is is dat het geweldverbod een volkenrechtelijke
norm is van ius cogens (dwingend recht) en dat die alsdusdanig als een norm met
interne werking dient aanvaard te worden.
Concluanten beroepen zich niet primair op artikel 2 lid 4
van het VN-Handvest, doch op de onderliggende volkenrechtelijk
gewoonterechtelijke norm van dwingend recht (ius cogens), die als zodanig in Nederland
ook uitdrukkelijk door het Gerechtshof Amsterdam wordt geïdentificeerd in het
arrrest Dedovic / Kok, en welke voorts ook nog op een aantal andere plaatsen in
het verdragsrecht tot uitdrukking wordt gebracht, met name ook in het
interventieverbod van artikel 3 Protocol II bij de Verdragen van Genève, welk
Protocol natuurlijk rechtstreekse werking allerminst kan worden ontzegd.
Vervolgens moet nog worden benadrukt dat het feit dat het
geweldsverbod een norm betreft van ius cogens, impliceert dat deze norm een
universeel en absoluut karakter draagt, geldt jegens alles en iedereen en ook
door de rechter onder alle omstandigheden moet worden gehandhaafd, zodat ook
om deze reden eenieder daarop een beroep toekomt die als gevolg van agressie
door enigerlei rechtssubject dat onder de jurisdictie van de rechter valt in
persoon schade ondervindt of dreigt te ondervinden.
Het is ook een onderdeel van het gewoonterecht dat individuele
personen voor schending van de gewoonterechtelijke norm van het geweldsverbod
ook persoonlijk strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, zoals ook
verdragsrechtelijk is vastgelegd in onder meer het Handvest van Neurenberg, het
Statuut van het Joegoslavië Tribunaal, het Statuut van het Rwanda Tribunaal
en het Statuut van het Internationaal Strafhof. Dit principe van individuele
strafrechtelijke aansprakelijkheid voor agressie als misdrijf kan uiteraard
niet zonder consequenties blijven naar ook andere rechtsinstanteis dan de
(internationale) strafrechter. Op rechtsregels, voor de welker schending
personen een individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid hebben te
dragen, komt immers diezelfde personen vanzelfsprekend ook een individueel
beroep in rechte toe.
Dat
het geweld/agressieverbod als dwingende norm van volkenrechtelijk
gewoonterechtelijke aard rechtstreekse werking heeft blijkt ook uit het feit
dat na WO II Japanse oorlogsmisdadigers wegens schending van het geweldverbod –
gekwalificeerd als misdrijf tegen de vrede – zijn opgehangen. En iets waarvoor
een individu de strop om de nek kan krijgen heeft onloochenbaar rechtstreekse
werking. Als deze norm, zoals verweerder beweert, enkel een interstatelijke
gedragsregel zou zijn, zou hij nooit opzichtens een individu kunnen worden
toegepast.
51.e. De International Law Commission van de
Verenigde Naties acht het geweldverbod een norm van dwingend volkerenrecht. Het
Internationaal Gerechtshof in Den Haag heeft in het Nicaragua-arrest van 1986
(in een procedure tegen de V.S.A.) het verbod op interstatelijk geweldgebruik
als een regel van internationaal gewoonterecht aanvaard.
51.f. De verwijzing van verweerder naar de
Cassatierechtspraak van 21 april 1983 en 11 mei 2001 is naar de mening van
concluanten niet terzake. Die rechtspraak stelt dat om een verdrag of een
protocol te kunnen toepassen vereist is dat de verdragsluitende partijen de
bedoeling hadden de toekenning van subjectieve rechten en het opleggen van
verplichtingen aan personen tot voorwerp te maken. In casu gaat het niet over
toepassing van een verdrag maar om een historisch aanvaarde gewoonterechtelijke
dwingende norm.
51.g. Zeer recent hebben ongeveer 300 specialisten
in Internationaal recht uit een vijftiental landen met betrekking tot de
huidige Irak-oorlog een oproep ondertekend waarin gesteld wordt:
Punt 5: Het
unilateraal uitroepen van een algemene oorlog tegen Irak met de hogervermelde
rechtvaardigingen of voorwendsels betekent het verbreken van de vrede en een
misdaad van agressie volgens de kwalificaties van het internationaal recht. Deze misdaad doet niet alleen de
verantwoordelijkheid ontstaan van de betrokken staten, maar ook van ieder
individu dat vrijwillig en met kennis van zaken heeft deelgenomen aan de
uitvoering ervan.
Punt 6: Iedere
deelname aan een dergelijke oorlog aan de zijde van de Verenigde Staten, met in
begrip van iedere hulp onder welke vorm ook aan de Verenigde Staten door
regeringen van derde landen of van een regionale organisatie, betekent eveneens
een schending van het principe van het geweldverbod.
Ook
deze juristen aanvaarden het geweldverbod als een norm die van toepassing is op
individuen en waarop individuen zich bijgevolg op hun beurt kunnen beroepen.
51.h. De in de dagvaarding onder de punten 28 en
29 aangehaalde (en hier voor herhaald aanziene) argumenten met betrekking tot
het handvest van het Internationaal militair tribunaal van Nuerenberg en met
betrekking tot het tot stand komen van het Statuut van het Joegoslavië
tribunaal bevestigen dat het geweldverbod een dwingende norm van internationaal
volkerenrecht is.
51.i.
Voor zover concluanten zich op het geweldverbod kunnen beroepen, kunnen zij dit
dan ook opzichtens verweerder? Met andere woorden: maakt verweerder zich
schuldig aan overtreding van het geweldverbod of is hij medeplichtig aan het
overtreden ervan?
51.j. Het Handvest van de Verenigde Naties
definieert agressie – de misdaad van agressieve oorlogsvoering – niet
rechtstreeks. In resolutie 3314 van de Algemene Vergadering aangenomen op 14
december 1974 wordt volgende definitie geformuleerd.
Artikel 1: « Agressie
is het gebruik van de gewapende macht door een Staat tegen de soevereiniteit,
territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere Staat of
op enige andere manier die niet strookt met het Handvest van de Verenigde
Naties zoals uiteengezet in deze definitie. »
Uit
lezing van resolutie 3314 van de Algemene Vergadering van de UNO blijkt dat de
medeplichtigheid aan een daad van agressie eveneens als agressie wordt
gekwalificeerd. Meer bepaald gaat het om artikel 3 f.
Artikel 3: “Volgende
daden zullen ongeacht er sprake is van een oorlogsverklaring gezien worden als
een daad van agressie : … f) De daad van een Staat die toelaat dat haar
grondgebied ter beschikking wordt
gesteld van een andere Staat om aan deze toe te laten een daad van agressie te
stellen.
Gezien
de Belgische Staat toelaat Amerikaans legermateriaal dat dienstig is voor de
agressie van de V.S.A. en het V.K. tegen Irak over zijn grondgebied te
vervoeren en mee instaat voor de veiligheid ervan, en zij toelaat dat vliegtuigen
van het V.K. voor bombardementen in Irak gebruik maken van het Belgische
luchtruim, pleegt zij overeenkomstig art. 3 f van resolutie 3314 zelf een daad
van agressie.
51.k. De overtreding van het geweldverbod kan nog
steeds ingeroepen worden. De oorlogstoestand in Irak is nog steeds niet
opgeheven en duurt mogelijk nog maanden. Het land is als gevolg van een
illegale oorlog militair bezet door de legers van de V.S.A. en het V.K., wat
ook de bezetting op zich in strijd stelt met het internationaal recht. Toen
Irak in 1991 Koeweit heeft bezet werd dit algemeen aanvaard.
Bovendien
omvat vermeld agressieverbod ook het verbod op illegale bezetting. Artikel 1
van resolutie 3314 van de algemene vergadering van de V.N. definieert inderdaad
als agressie “elke gebruik van de gewapende macht door een Staat tegen de
soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een
andere staat”, zodat ook de gewapende bezetting die thans in Irak plaatsvindt
hieronder valt. Het is duidelijk dat het gaat om een militaire bezetting en de
hogervermelde te verwachten transporten van Amerikaanse troepen over het
Belgische grondgebied bevestigen dat deze gewapende bezetting actueel is en
implicaties heeft voor de Belgische Staat.
-Schending
van de Internationale Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en van de
Aanvullende Protocols I en II bij die Verdragen en van de Belgische wet van 16
juni 1993 betreffende de bestraffing van de ernstige inbreuken op (Belgische
genocidewet) die bepalingen van vermelde bedragen in de Belgische
strafrechtsorde invoegt.
52.a. Verweerder stelt dat niet
goed valt in te zien hoe het feit dat de Belgische regering toelaat dat
militaire transporten door de VS over het nationale grondgebied een
strafrechterlijke aansprakelijkheid met zich zou kunnen meebrengen op grond van
de wet van, 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige inbreuken op
het internationaal humanitair recht.
De wet beteugelt de "hierna omschreven ernstige misdrijven
welke door handelingen of nalatigheden schade toebrengen aan personen en
goederen die beschermd zijn door de Verdragen, ondertekend te Genève op 12
augustus 1949 en goedgekeurd bij de wet van 3 september 1952, en door het
Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te
Genève op 8 juni 1977 en goedgekeurd bij de wet van 16 april 1986, zijn
internationaal-rechtelijke misdaden en worden overeenkomstig de bepalingen van
deze wet bestraft, onverminderd de strafbepalingen die van toepassing zijn op
de andere overtredingen van de in deze wet bedoelde overeenkomsten en
onverminderd de strafbepalingen die van toepassing zijn op de uit nalatigheid
gepleegde misdrijven :
1° de opzettelijke
doodslag;…
3° het moedwillig veroorzaken van hevig lijden, of toebrengen van ernstig
lichamelijk letsel dan wel van ernstige schade aan de gezondheid; …
8° de vernieling en de
toeëigening van goederen, niet gerechtvaardigd door militaire noodzaak zoals
aanvaard in het volkenrecht en uitgevoerd op grote schaal en op onrechtmatige
en moedwillige wijze;
9° de onrechtmatige handelingen en nalatigheden die de gezondheid en de
lichamelijke of geestelijke integriteit van de personen die beschermd worden
door een van de Verdragen betreffende de bescherming van de gewonden, de zieken
en de schipbreukelingen, in gevaar kunnen brengen, in het bijzonder alle
geneeskundige handelingen die niet gerechtvaardigd zijn door de
gezondheidstoestand van die personen of niet in overeenstemming zijn met de
algemeen aanvaarde geneeskundige normen; …
11° het aanvallen van de
burgerbevolking of individuele burgers;
12° het uitvoeren van een niet-onderscheidende aanval waardoor de
burgerbevolking of goederen van burgerlijke aard worden getroffen, in de
wetenschap dat een zodanige aanval verliezen aan mensenlevens, verwondingen van
burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard zal veroorzaken, in een
mate die buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten tastbare en
rechtstreekse militaire voordeel, onverminderd de misdadige aard van de aanval waarvan
de schadelijke gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het te verwachten militaire
voordeel, onverenigbaar zouden zijn met de beginselen van het internationaal
recht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van
menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn;
13° het uitvoeren van een aanval op werken of installaties die gevaarlijke
krachten bevatten, in de wetenschap dat een zodanige aanval verliezen aan
mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke
aard zal veroorzaken, in een mate die buitensporig zou zijn in verhouding tot
het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel, onverminderd de
misdadige aard van de aanval waarvan de schadelijke gevolgen, zelfs in
evenredigheid tot het te verwachten militaire voordeel, onverenigbaar zouden
zijn met de beginselen van het internationaal recht die voortvloeien uit de
gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het
openbare rechtsbewustzijn; …
20° het aanvallen van
duidelijk als zodanig herkenbare historische monumenten, kunstwerken of
plaatsen van eredienst die het culturele of geestelijke erfdeel van de volkeren
vormen en waaraan bijzondere bescherming is verleend door een speciale regeling
wanneer er geen bewijs bestaat van schending door de tegenpartij van het verbod
die goederen te gebruiken om het militaire optreden te ondersteunen, en wanneer
die goederen niet in de onmiddellijke nabijheid van militaire doelen zijn
gelegen.
De onder 11°, 12°, 13°, 14°, 15° en 16° genoemde feiten worden als ernstige
misdrijven, als in dit artikel omschreven, beschouwd, op voorwaarde dat ze de
dood of ernstig lichamelijk letsel met zich brengen dan wel de gezondheid van
een of meer personen in ernstige mate benadelen."
52.b. Eerst en vooral bestaan er
aanwijzingen, getuigenissen enz. dat dergelijke inbreuken weldegelijk gepleegd
werden door de VS-troepen in Irak
Amnesty International maakt melding van aanvallen op burgerbevolking.
(inbreuken op art. 1 §3 11° en 12°).
Veertien Irakese burgers werden
gedood en 30 werden gewond in Bagdad op 25 maart 2002 wanneer twee raketten
insloegen in een commerciële wijk terwijl militaire doelwitten honderden meter
verwijderd waren van de plaats [1]
Op 28 maart vonden 55 Irakis de dood bij een aanval op de markt van het
Shula district in Bagdad. Eerste concluant stond mee in voor de opvang van de
slachtoffers.
Hoewel het commando van de VS troepen oorspronkelijk tegensprak of
minstens in twijfel trok dat het om een inslag van een Amerikaans wapen zou
gaan, berichtte de onafhankelijke journalist Robert Fisk in The Independent van
2 april een onderdeel van de bom te hebben gevonden en te hebben vastgesteld
dat die onmiskenbaar van Amerikaanse makelij was.
In verband met de gebeurtenissen in Nassiriya schreef een ooggetuige dat
Amerikaanse troepen met machinegeweren vuurden op burgervoertuigen. [2]
Ook bij het binnentrekken van Bagdad schoten Amerikaanse troepen talloze
burgers dood. [3]
Op verschillende plaatsen werd gebruik gemaakt van clusterbommen. [4]
Hoewel deze wapens in se niet verboden zijn is het duidelijk dat hun gebruik in
gebieden waar een burgerbevolking geïnstalleerd is het wel om een
oorlogsmisdaad gaat (inbreuk op art. 1 § 3 12°)
Amnesty International maakt ook melding van het feit dat de VS troepen
de systematische plunderingen van private eigendommen en officiële gebouwen
niet hebben verhinderd zelfs wanneer zij daartoe de gelegenheid hadden. [5]
(Inbreuken op art. 1 § 3 8°)
Hospitalen bleven niet gespaard van de plunderingen terwijl VS troepen
toekeken. (inbreuk op art. 1 § 3 9 °) In bepaalde gevallen werden hospitalen
zelfs gebombardeerd. [6]
Tijdens deze plunderingen werden patiëntes verkracht volgens een verslag
van het Rode Kruis. [7]
52.c. Niet alleen het plegen van
oorlogsmisdaden wordt bestraft maar ook het verzuim ertegen op te treden.
Art. 1 § 3 van de wet voorziet dat
"handelingen of
nalatigheden" in aanmerking komen voor bestraffing.
Art. 4 van de wet bepaalt eveneens dat:
"Art.
4. Met de op het voltooide misdrijf gestelde straf worden
gestraft :
het verzuim gebruik te maken van de mogelijkheid tot handelen
vanwege zij die kennis hebben van bevelen, gegeven met het oog op de uitvoering
van een dergelijk misdrijf of van feiten die een begin van uitvoering hiervan
vormen, ofschoon zij de voltooiing ervan konden verhinderen of konden doen
ophouden, …."
Art. 4 stelt een bijzondere vorm van schuldig verzuim in. Verweerder
stelt in zijn besluiten dat deze bepaling alleen militaire meerderen viseert.
Indien dit voorbeeld inderdaad ontwikkeld werd tijdens de parlementaire
debatten blijkt geenszins uit de tekst (of de voorbereidende werken) dat het de
bedoeling zou geweest zijn de toepassing van deze bepaling tot die categorie
van personen te beperken.
52.d. Tenslotte voert verweerder
zeer merkwaardiger wijze aan dat het bekend is dat de Belgische Staat "alle mogelijke diplomatieke en politieke
mogelijkheden in het werk heeft gesteld om te trachten de militaire operaties
te voorkomen."
Er is evenwel één ding dat verweerder nagelaten heeft te doen en wat
ongetwijfeld meer ingrijpende gevolgen zou gehad hebben dan de politieke en
diplomatieke inspanningen die de Belgische regering gedaan heeft: namelijk de
logistieke steun onder de vorm van het ter beschikking stellen van
infrastructuur zoals havens, spoorwegen en luchthavens weigeren voor het
vervoer van troepen en materiaal bestemd voor de agressie tegen Irak.
Zoals uit bovenstaande uiteenzetting blijkt zijn er zeer ernstige
aanwijzingen dat de VS-troepen zich schuldig hebben gemaakt aan verschillende
vormen van oorlogsmisdaden.
De eerste rapporten hieromtrent verschenen in de pers eind maart. Het
eerste Amnesty International rapport dateert van 8 april 2003.
Minstens op dat moment had verweerster onmiddellijk elke logistieke
steun aan de VS-troepen moeten stopzetten nu er ernstige aanwijzigen bestonden
dat zij door haar logistieke steun zich medeplichtig maakte, door schuldig
verzuim, aan de oorlogsmisdaden begaan door de troepen en met het militair
materiaal dat via het Belgisch grondgebied verscheept werd.
52.e. De vordering is zeker nog
actueel. Nog bijna dagelijks worden schendingen van het internationaal
humanitair recht aan het licht gebracht.
Op 15 april 2003 werden nog minstens 7 Iraakse burgers omgebracht door
de VS-troepen in de stad Mosul. [8]
De vordering heeft dus geenszins aan actualiteit ingeboet zelfs indien
de natuur van de daden gepleegd door de VS-troepen evolueert.
53. Verweerder stelt dat hij
niet inziet hoe de Belgische Staat zich aan de schending ervan zou schuldig
gemaakt hebben, dat het voor eenieder duidelijk is dat hij hier niets mee te
maken heeft en dat er van aanzet of deelneming in strafrechtelijke zin in de
verste verte geen sprake is.
De massale transporten van militair materiaal en personeel over het
Belgisch grondgebied en door het Belgische luchtruim hebben bijgedragen tot en
dragen nog steeds bij tot de oorlog en bezetting van Irak.
Verweerder minimaliseert haar verantwoordelijkheid door te stellen dat
zonder de transporten de situatie in Irak zich immers precies zou hebben
voorgedaan zoals in casu. Dit is evident onjuist. Anders zouden deze
transporten volkomen zinloos geweest zijn. Er is massaal militair materiaal
(pantservoertuigen, helicopters, transportvoertuigen, militairen …) van de
V.S.A. via het Belgische grondgebied, de zee- en luchthavens afgevoerd naar
Irak en het is het licht van de zon ontkennen dat deze niet hebben bijgedragen
en nog steeds bijdragen tot de bezetting van Irak. Ook de te verwachten
militaire transporten zullen er toe bijdragen.
Zoals hoger vermeld volstaat het trouwens dat de transporten “dienstig”
kunnen zijn voor vermelde agressie, oorlog en bezetting, wat in casu alleszins
overduidelijk het geval is.
De medeplichtigheid van de Belgische Staat staat vast.
-Schending
van de bepalingen van het Internationaal verdrag van de Verenigde Naties inzake
burgerrechten en politieke rechten (BUPO) van 19 december 1966, B.S. 6 juli
1983 en van het Europees verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
54. Concluanten stellen dat
volgende artikels van het BUPO overtreden worden door het toelaten van
transporten van materiaal bestemd voor de oorlog in Irak over het Belgische
grondgebied en door het Belgische luchtruim.
De oorlog en de transporten schenden de volgende basisrechten van
concluanten.
BUPO:
Artikel 1.1: Alle volken
bezitten het zelfbeschikingsrecht. Uit hoofde van dit recht bepalen zij in alle
vrijheid hun politieke status en streven zij vrijelijk hun economische, sociale
en culturele ontwikkeling na.
Artikel 1.3. De Staten die
partij zijn bij dit Verdrag … bevorderen de verwezenlijking van het
zelfbeschikkingsrecht en eerbiedigen dit recht overeenkomstig de bepalingen van
het Handvest der Verenigde Naties.
Artikel 6.1.: Een ieder
bezit een inherent recht op het leven. …
Artikel 6.3: Wanneer de
beroving van het leven het misdrijf genocide inhoudt is het wel te verstaan dat
geen enkele bepaling van dit artikel een Staat die partij is bij dit Verdrag de
bevoegdheid geeft af te wijken van enigerlei verplichting die is aanvaard
krachtens de bepalingen van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van
genocide.
Artikel 7: Niemand mag
worden onderworpen aan folteringen, noch aan wrede, onmenselijke of
vernederende behandeling of bestraffing. …
Artikel 20.1: Alle
oorlogspropaganda is bij wet verboden.
EVRM:
Artikel 2.1: Het recht van
eenieder op het leven wordt beschermd door de wet.
Artikel 3: Niemand mag
worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende
behandelingen of straffen.
Artikel 5: Eenieder heeft
recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid.
55. Verweerder stelt dat wat
concluanten aanhalen buitengewoon vergezocht en zelfs op het tergende af is,
omdat de Belgische staat zich sterk heeft ingezet om tot een diplomatieke en
vreedzame oplossing van het geschil te komen. De politieke standpunten van de
Belgische Staat terzake beletten niet dat in alle objectiviteit het toelaten
van de transporten als een concrete bijdrage aan de agressie en bezetting dient
beschouwd te worden, met de gevolgen vandien
voor wat betreft de schending van de hoger geciteerde mensenrechten.
B.
Wat betreft de schending van de Belgische rechtsnormen.
-Geen
wettelijke grondslag in de Belgische wet voor de militaire transporten over het
Belgische grondgebied. Schending van artikel 185 van de Grondwet, schending van
de wet van 11 april 1962, en ondergeschikt, schending van het
uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971.
56. Ondanks het feit dat het
duidelijk is dat de Belgische regering om politieke redenen de transporten
toelaat (zie pagina 20 alinea 4 en 5) en het duidelijk is dat de juridische
grondslag ervoor ontbreekt tracht verweerder tegen beter weten in met een
juridisch artificiële constructie te argumenteren dat de transporten juridisch
niet onrechtmatig zijn doch de uitvoering van een internationaalrechtelijke
verplichting.
Een juridische analyse maakt duidelijk dat er geen legale basis is voor
de transporten.
57. Art 185 van de Grondwet
stelt :
“Vreemde troepen mogen niet dan krachtens een wet tot
de dienst van de Staat worden toegelaten, het grondgebied bezetten of er
doorheen trekken.”
Hieruit dient afgeleid te
worden dat de Koning zelf geen toelating kan geven om vreemde troepen of in
casu militaire transporten toe te laten.
58. De Belgische wet die “de
doortocht en het verblijf in België toelaat van de troepen van de met België
door het Noord-Atlantisch Verdrag verbonden landen” van 11 april 1962, B.S. 20
april 1962, bepaalt in zijn enig artikel:
“De troepen van Staten met België door het Noord
Atlantisch Verdrag verbonden mogen het nationaal grondgebied doortrekken of er
gestationeerd zijn binnen de grenzen en onder de voorwaarden voor elk geval
vastgesteld in met de betrokken regeringen te sluiten uitvoeringsakkoorden”.
De wet van 11.04.1962 laat de regering niet toe uitvoeringsakkoorden te
sluiten en uit te voeren anders dan in het kader van het NAVO-Verdrag van 4
april 1949.
59. De Belgische eerste minister
verklaarde op 17 januari 2003 tijdens het actualiteitsdebat in de Belgische
Kamer van Volksvertegenwoordigers dat de transporten plaatsvonden in het kader
van een bilateraal akkoord (Host Nation Support Agreement), dat op 19 juli 1971 tussen België en de V.S.A. werd
gesloten op basis van de wet van 11 april 1962.
In de memorie van toelichting bij deze wet (Parlementaire stukken, 646,
1959-1960) verwijzen de destijds bevoegde ministers uitdrukkelijk naar artikel
3 van het NAVO-Verdrag. In dit artikel 3 (dat letterlijk in de memorie van
toelichting wordt overgenomen) wordt gesteld dat “de Verdragsluitende Partijen,
ieder voor zich en tezamen, haar individueel en collectief vermogen om een
gewapende aanval te weerstaan zullen handhaven en ontwikkelen, door voortdurend
en op doelmatige wijze zich zelf te versterken en elkander hulp te verlenen.”
Uit het bovenstaand dient dan ook afgeleid worden dat het
uitvoeringsakkoord dat afgesloten werd (Host Nation Support Agreement) gezien
dient te worden ter uitvoering van art. 3 van het NAVO-Verdrag.
60. Concluanten verwijzen naar en sluiten zich aan bij “Note sur le
Traité secret conclu entre la Belgique et les Etats-Unis en 1971” opgesteld
door drie professoren internationaal recht aan de ULB met name Olivier Corten,
Eric David, Jean Salmon en Pierre Klein. Deze nota die hier voor herhaald
aanzien wordt stelt op basis van een uitvoerige juridische argumentatie dat de
keuze van de Belgische regering om de transporten toe te laten een politieke
keuze is, en in geen enkele mate een juridische verplichting. Zij hebben de
nota gemaakt na het publiek worden van het ‘geheim’ akkoord van 1971.
62. De argumenten van vermelde professoren kunnen alsvolgt worden
samengevat:
1. De militaire operaties tegen Irak vallen
buiten het toepassingsveld van het verdrag van 1971 omdat zij gevoerd worden
buiten het kader van de Navo.
-Het
billateraal akkoord van 1971 schrijft zich in in het kader van de Navo. Het
objectief van het verdrag is de V.S.A. toe te laten troepen te verplaatsen met
het oog op militaire acties conform het Navo-verdrag.
-Het
verdrag voorziet het activeren van communicatielijnen in geval van
“internationale spanning”, die het gevolg is van een verklaring van de Supreme
Allied Commander, Europa van de Navo. Dit type verklaring verplicht de
Navo-landen elkaar te consulteren om inzonderheid de verplichtingen van artikel
5 van het Navo-verdrag in werking te stellen. Bijgevolg is het in werking
treden van het verdrag van 1971 direct onderworpen aan institutionele
mechanismen eigen aan de Navo.
-Het
akkoord van 1971 is in 1994 herzien om de V.S.A. toe te laten deel te nemen aan
Uno-operaties. Dit leidt tot twee conclusies: het akkoord van 1971 is strikt
beperkt tot het Navo-kader; de uitbreiding tot acties in Uno-kader sluit de
toepassing van het verdrag uit voor acties die buiten het Uno-kader worden
gevoerd.
-Verweerder
heeft zelf verwezen naar artikel 5 (internationale spanning) wat maakt dat
hijzelf het verdrag van 1971 binnen het Navo-kader plaatst.
-Maar
artikel 5 in verband met wettige verdediging heeft niets te zien met de
militaire operatie in Irak. Geen enkele Navo-staat is voorwerp geweest van
agressie door Irak.
-De
operatie tegen Irak kan evenmin geassimileerd worden aan wat genoemd worden
“operaties artikel 5”.
-Het
verdrag van 1971 is beperkt tot militaire operaties conform het charter van de
Navo of onder leiding van de Uno. In het geval van de oorlog tegen Irak is het
niet van toepassing. Zelfs als men zou oordelen dat het toch van toepassing kan
zijn, dan nog is het ondergeschikt aan het Charter van de V.N. en kan het niet
geïnterpreteerd worden als een toelating om deel te nemen aan de agressie van
de V.S.A. tegen Irak.
2. Het verdrag van 1971 kan in geen geval
geïnterpreteerd worden als een toelating om het Handvest van de V.N. te
schenden.
-De
immense meerderheid van specialisten internationaal recht beschouwen de oorlog
tegen Irak als onverzoenbaar met het V.N. Handvest. In toepassing van dit
Handvest heeft België de verplichting geen hulp te bieden aan een staat die een
agressie pleegt. In toepassing van artikel 103 het het handvest moet deze
verplichting voorrang hebben op elk ander internationaal akkoord.
-Niets
in het verdrag van 1971 doet afbreuk aan het kader van de V.N. , integendeel
het Navo-verdrag verklaart zich ondergeschikt aan het V.N.-handvest. Het
verdrag van 1971 moet geïnterpreteerd worden conform het Navo-verdrag en dit
laatste conform het V.N.-handvest. Elke interpretatie dat België een agressor
zou moeten steunen moet verworpen worden.
3. Het verdrag van 1971 kan geen toelating
geven tot het overvliegen van het Belgische luchtruim. België kan dit toelaten
of weigeren.
63. Ook het feit dat de
ministers Michel en Flahaut op de RTBF verklaarden dat er geen transporten meer
zouden plaatsvinden via België, maar enkele dagen later na tussenkomst van de
Eerste Minister op dit standpunt terugkwamen, bevestigt dat het om een
politieke keuze gaat.
64. Het akkoord van 1971 kan
niet geinterpreteerd worden als een toelating om het Handvest van de VN te
schenden. Zoals hoger gesteld is de oorlog van de V.S.A. en het V.K. een
agressie die niet verenigbaar is met artikels 2&3 en 2&4 van het
VN-handvest. Het is dan ook voor de hand liggend dat België de verplichting
heeft geen hulp of bijstand te verlenen aan een land dat een agressie pleegt. Het
Handvest heeft conform haar artikel 103 voorrang op ieder ander internationaal
akkoord. De hogere rechtsnorm mag niet geschonden worden in naam van een lagere
rechtsnorm.
De eerste inleidende zin van het NAVO-verdrag bepaalt immers:
“De partijen bij
dit Verdrag bevestigen opnieuw hun vertrouwen in de doeleinden en beginselen
van het Handvest van de Verenigde Naties en hun wens om in vrede te leven met
alle volkeren en alle regeringen”.
Artikel 1 van het
NAVO-verdrag bepaalt:
“De partijen
verbinden zich ertoe om, zoals uiteengezet in het Handvest van de Verenigde
Naties, alle internationale geschillen waarin zij mochten worden gewikkeld met
vreedzame middelen te beslechten op zodanige wijze dat de internationale vrede
en veiligheid en gerechtigeheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun
internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van
geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de
Verenigde Naties”.
Artikel 7 van het
NAVO-verdrag bepaalt:
“Dit verdrag
heeft geen invloed, en mag niet worden uitgelegd als hebbende enige invloed op
de rechten en verplichtingen ingevolge het Handvest van partijen die lid zijn
van de Verenigde Naties, noch op de primaire verantwoordelijkheid van de
Veiligheidsraad voor de handhaving van internationale vrede en veiligheid.”
Artikel 8 van het
NAVO-verdrag stelt tenslotte:
“Elk der partijen
… verplicht zich geen enkele internationale verbintenis aan te gaan die
strijdig is met dit Verdrag.”
Het NAVO-verdrag verklaart zich ondergeschikt aan het Handvest van de
Verenigde Naties.
65. Het NAVO-akkoord is volgens
haar definitie bovendien een verdedigingspact en geen aanvalspact. Ook om die
reden is het in casu niet van toepassing.
66. Het akkoord van 1971 is
verder enkel van toepassing op NAVO-operaties.
In de preambule wordt gesteld: “… which is to ensure logistic support of
the American forces stationed in the central region of the Allied Command in
Europe … for the purpose of achieving the objectives of the North Altlantic
Treaty.” (Vrije vertaling: … dat
bedoeld is om de logistieke ondersteuning van de Amerikaanse troepen
gestationeerd in de centrale regio van het geallieerde commando in Europa te
verzekeren).
De oorlog in Irak is geen NAVO-objectief. Diverse NAVO-landen waaronder
België zijn er zelfs duidelijk tegenstander van.
Reeds om die reden kan dan ook geen toepassing gemaakt worden van het
uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971, daar de Belgische wet van 11 april 1962,
die de basis is voor het uitvoeringsakkoord, werd gestemd in het kader van het
NAVO-verdrag. Vermelde oorlog gaat bijgevolg het kader van het akkoord te
buiten.
67. Artikel 3 van het
NAVO-verdrag plaatst bovendien de wederzijdse hulpverlening (in casu de
transporten) in het kader van het “handhaven van het vermogen om een gewapende
aanval te weerstaan”. Er is geen sprake van een gewapende aanval tegen de
V.S.A. of tegen het V.K..
Het NAVO-verdrag zelf maakt duidelijk dat de Belgische wet van 11 april
1962, en bijgevolg ook het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971 niet van
toepassing zijn in de huidige situatie. Wat meer is: in de actuele situatie zou
de toepassing ervan precies betekenen dat het NAVO-verdrag zelf waaruit de wet
en het akkoord voortvloeien geschonden wordt.
68. In het actualiteitsdebat in
de Kamer van Volksvertegenwoordigers stelt de Belgische eerste Minister dat
“volgens het akkoord van 19 juli 1971 de VS in tijden van spanning gemachtigd
zijn om een communicatielijn te activeren om materiaal te transporteren, zoals
zij op 29 januari 2003 hebben gedaan.” Het begrip “tijden van spanning” vindt
geen enkele grondslag in het NAVO-verdrag en bijgevolg evenmin in de wet van 11
april 1962, die een uitvloeisel is van het NAVO-verdrag, alleszins niet van
artikel 3 van het verdrag.
Voor zover de Belgische regering refereert naar “de periode van spanning
waarin wij ons, aldus de NAVO, bevinden sinds 12 september 2001” (premier
Verhofstadt tijdens kamerdebat van 17 maart 2003) blijkbaar met verwijzing naar
artikel 5 van het NAVO-verdrag, wordt opgemerkt dat dit in casu evenmin van
toepassing is. De op zich reeds zeer betwistbare toepassing van artikel 5 van
het NAVO-verdrag (het is betwistbaar dat de aanslagen op het WTC en Pentagon
van 11 september 2001 te kwalificeren zijn als een gewapende aanval tegen een
land dat lid is van de NAVO), kan niet uitgebreid worden tot de oorlog van twee
NAVO-landen tegen Irak, waar er geen band tussen Al Quada en Irak is
aangetoond. Er is geen aanval van Irak tegen een land dat lid is van de NAVO. Een
vermeende aanval van een derde (terreurorganisatie) kan niet als
rechtvaardiging dienen voor het inroepen van artikel 5 van het NAVO-verdrag in
het kader van de oorlog tegen Irak.
De professoren Corten, David, Salmon en Klein wijzen in hun nota nog op
de zeer tegenstrijdige verklaringen die de diverse ministers van de Belgische
regering gaven over het al of niet inroepen van het begrip “periode van
spanning” .
69. Het is verder betwistbaar
dat de wet van 11 april 1962 het sluiten van een dergelijk algemeen en lang in
de tijd lopend uitvoeringsakkoord toelaat. In de wet wordt het
uitvoeringsakkoord voor doortrekken en stationeren van troepen voorzien “binnen
de grenzen en onder de voorwaarden voor elk geval vastgesteld”. Dit wijst er op
dat er geval per geval een uitvoeringsakkoord dient gesloten te worden. In de
memorie van toelichting wordt dit bevestigd: “Op grond van de voorgestelde
tekst verleent de wet de toelating tot verblijf en doortocht aan de troepen van
de landen, verbonden met België door het Noord-Atlantisch verdrag, maar de
grenzen en de voorwaarden van iedere
doortocht zullen voor elk geval
worden vastgesteld in akkoorden af te
sluiten met de betrokken landen”.
Het akkoord zou herzien zijn in 1994 om de Amerikaanse troepen toe te
laten in het kader van UNO-operaties deel te nemen. Terecht merken vermelde
professoren op dat dit betekent dat het akkoord van 1971 beperkt was tot het
strikte NAVO-kader, en anderzijds dat een uitbreiding enkel mogelijk is in het kader
van UNO-operaties. Zodat het dus evident is dat het akkoord niet van toepassing
is als landen een oorlog voeren buiten het kader van de NAVO of de UNO.
70. Verweerder stelt op pagina
27-28 van de besluiten dat het verdrag van 1971 aan de V.S.A. toelaat vrij te
beslissen troepen via Belgisch grondgebied te laten passeren en ze aan te
wenden. Dergelijke interpretatie zou er toe leiden dat wanneer de V.S.A.
bijvoorbeeld Nederland zou willen aanvallen België de transporten over haar
grondgebied gewoonweg zou moeten toelaten. Dit voorbeeld illustreert hoe
verregaand de interpretatie van verweerder is.
71. Bovendien kunnen bij het
inmiddels publiek gemaakte akkoord nog volgende opmerkingen worden gemaakt.
71.a. Het akkoord heeft
duidelijk betrekking op de logistieke ondersteuning van Amerikaanse troepen in
Duitsland en niet op het transport naar een land als Irak. In de preambule
wordt gesteld: “… which is to ensure the logistic support of the American
forces stationed in the central region of the Allied Command in Europe…”. (vrije
vertaling: de verzekering van de logistieke ondersteuning van de Amerikaanse
troepen gestationeerd in de centrale regio van het geallieerd commando in
Europa).
Dit wordt bevestigd door artikel 5 van het akkoord: “… the Belgian Government will provide the Governement of the United
States of America with the services necessary for debarkation, transshipment,
reception and transit of troops, materiel, equipment and supplies to or from
the central region of the Allied Command in Europe”. (vrije vertaling: “De Belgische regering zal de
regering van de V.S.A. voorzien van de diensten noodzakelijk voor ontscheping,
doorscheping, ontvangst en transit van troepen, materiaal, uitrusting en
toebehoren naar of van de centrale regio van het geallieerd commando in
Europa”.)
71.b. België behoudt in alle
omstandigheden de volledige soevereiniteit over het grondgebied. Dit blijkt uit
artikel 8, 1: “In all circumstances, essential Belgian requirements (civilian
and military) shall take priority over allied requirements of every type. The
Belgian Government remains the only judge of exceptions which critical
circumstances may justify.” (Vrije vertaling: “In alle omstandigheden zullen
essentiële Belgische behoeften (burgerlijk en militair) voorrang hebben op
geallieerde behoeften van welk type ook. De Belgische regering blijft de enige
rechter met betrekking tot uitzonderingen die in cruciale omstandigheden
gerechtvaardigd zijn”.)
Het kan moeilijk betwist worden dat de illegaliteit van deze oorlog
tegen Irak en het feit dat België zich
medeplichtig maakt aan agressie, misdaden tegen de vrede en
oorlogsmisdaden begaan door de V.S. en het V.K. in Irak als een ‘critical
circumstance’ kan beschouwd worden. Reeds om die reden kan België op basis van
artikel 8 beslissen het akkoord niet uit te voeren.
71.c. Tenslotte kan België op basis van artikel 14 een betwisting over
de interpretatie van het akkoord onderwerpen aan een overleg met de Amerikaanse
minister van Defensie. Van deze geschillenprocedure is blijkbaar geen gebruik
gemaakt.
71.d. Het uitvoeringsakkoord dat
als ‘geheim’ is geklasseerd, kan ook nog om volgende reden geen toepassing
vinden in de Belgische rechtsorde (zie Jan Wouters, Godelieve Craenen en Dries
Van Eeckhoutte, respectievelijk hoogleraren en wetenschappelijk medewerker aan
de faculteit rechtsgeleerdheid van de K.U.Leuven, Militaire transporten en
geheime akkoorden, zie stuk).
Sedert het einde van de Eerste Wereldoorlog bestaat in de internationale
gemeenschap de consensus dat het sluiten van Verdragen in volledige openheid en
transparantie moet gebeuren. De afschuw en de verontwaardiging die tijdens en
na de oorlog waren ontstaan door de ontdekking van verschillende geheime
akkoorden, liggen mede aan de grondslag
van de bepaling in het Handvest van de Verenigde Naties die alle leden ven de
VN ertoe verplicht “elk verdrag en elke internationale overeenkomst” bij de VN
te registreren. Het VN secretariaat zorgt dan voor de publicatie. Aan de niet
publicatie kleeft als sanctie dat een partij bij zulk verdrag zich niet ten
aanzien enig orgaan van de VN – bijvoorbeeld het Internationaal Gerechtshof - op dat verdrag of die overeenkomst
mag beroepen (art. 102 VN-Handvest). Deze verplichting werd bovendien
herbevestigd in artikel 80 van het Weens Verdrag van 23 mei 1969 over
Verdragsrecht, waarbij België eveneens partij is.
Het bilateraal akkoord van 1971 – volkenrechtelijk zonder meer een
verdrag – is nooit bij de VN geregistreerd.
71.e. Sinds 1993 vereist artikel
167 van de Belgische Grondwet dat alle door België afgesloten verdragen aan het
parlement ter instemming worden voorgelegd, zoniet hebben ze geen gevolg. Bij
gebreke hiervan kan een verdrag geen gevolg hebben in de Belgische rechtsorde. Ook
het oude artikel 68, 2de lid van de Grondwet bepaalde dat “verdragen
die de Staat zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden,
eerst gevolg hebben nadat zij de instemming van de Kamers hebben gekregen”. Er
kan dus worden gesteld dat het akkoord van 1971 op zich geen gevolg heeft noch
voor de Belgische Staat noch voor individuen die de transporten zouden moeten
uitvoeren. (Cassatie 11 december 1953, Arr. Verbr. 1954, 252, Pas. 1954, I,
298.:”Om de Belgen individueel te binden moet een verdrag niet enkel door het
Parlement goedgekeurd zijn maar ook in het Staatsblad bekendgemaakt zijn;
Cassatie 25 november 1955, Arr. Verbr. 1956, 234: “De regel van artikel 68,
tweede lid, geldt ook voor internationale overeenkomsten die niet de vorm van
een verdrag hebben aangenomen.”)
71. f. Tenslotte dient opgemerkt
dat het parlementaire controlerecht wat een basisbeginsel is in de
parlementaire democratie met de voeten getreden wordt. Het Parlement kan immers
op geen enkel wijze controleren over welke uitvoeringsakkoorden het gaat en of het
wel om een uitvoeringsakkoord gaat in de zin van de wet van 11 april1962. Immers
de akkoorden werden niet aan de parlementsleden voorgelegd hoewel de toenmalige
minister van buitenlandse zaken Paul-Henri Spaak in de Senaat gesteld had dat
alle uitvoeringsakkoorden van de wet van 11 april 1962 aan de Kamers zouden
getoond worden. (Handelingen Senaat, 1961-62, p.749).
Daar het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971 niet officieel gepubliceerd
werd is het betwistbaar dat dit akkoord in de huidige situatie van de oorlog
met Irak toelaat wat de regering stelt dat het toelaat. De inhoud ervan is niet
officieel bekend.
72. Concluanten zijn dan ook van
mening dat de Belgische Staat zich ter rechtvaardiging van de transporten niet
kan beroepen op het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971, noch op de wet van 11
april 1962. Alleszins zijn de bepalingen van dit akkoord en van deze wet
ondergeschikt aan de in de huidige situatie ermee strijdige norm van het
NAVO-verdrag en met de nog hogere norm van het VN-Handvest.
-Meer
in het algemeen, inbreuken op de Belgische strafwet.
73. Diverse
bepalingen van de Belgische strafwet zijn van toepassing ondermeer de artikels
van titel VIII en titel IX van Boek II
van het strafwetboek met name misdaden en wanbedrijven tegen personen en tegen
eigendommen en inzonderheid de artikels
392-417, 418-422ter, 510-537. Conform de artikels 66-69 is de
verantwoordelijkheid van de personen die verantwoordelijk zijn voor het niet
tegenhouden van de transporten betrokken.
§8. De gevorderde
maatregelen
74. Verweerder stelt ten onrechte dat de door concluanten gevorderde
maatregelen dermate ruim zijn dat ze zelfs humanitaire hulp kunnen omvatten. Een
goede lezing van wat gevraagd wordt laat dergelijke interpretatie niet toe. Concluanten
stellen uitdrukkelijk dat het gaat om militair materiaal …dat “direkt of
indirekt bestemd is voor de oorlogsvoering”. Tenzij verweerder ook in de
humanitaire hulp van de V.S.A. en het V.K. een vorm van oorlogsvoering ziet,
kan de formulering geen aanleiding tot onduidelijkheid geven.
Ook materiaal bestemd voor Kosovo of Bosnie-Herzegovina kan bij een
goede lezing van wat gevraagd wordt niet onder de maatregel vallen. Het gaat
over oorlogsvoering tegen … Irak.
Het gevraagde kan bijgevolg perfect worden nageleefd door verweerder.
75. Concluanten specifieren dat zij de gevraagde maatregel ook
uitbreiden tot materiaal bestemd voor de militaire bezetting van Irak, zoals
blijkt uit het beschikkend gedeelte.
76. Wat betreft het medelen van akkoorden.
Het belang van concluanten bestaat erin dat zij recht hebben kennis te
krijgen van alle geheime akkoorden die invloed hebben op de door hen gewraakte
transporten en er volgens verweerder een juridische grondslag aan geven. In de
pers en ook in de nota van de professoren van de ULB wordt melding gemaakt van
enerzijds de herziening in 1994 en op andere data van het akkoord van 1971 en
van akkoorden die rechtstreeks tussen Belgische en V.S.A.-militairen zijn
gesloten.
Dit verzoek is in die zin hoogdringend dat de kwestie van de transporten
zich nog steeds stelt.
De verwijzing naar de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid
van bestuur is nogal merkwaardig, waar het gaat om zogenaamd geheime akkoorden.
Bij weten van concluanten heeft vermelde wet betrekking op bestuursdocumenten
die in de regel openbaar zijn.
OM DEZE REDENEN
BEHAGE HET DE VOORZITTER,
De vordering toelaatbaar en
gegrond te horen verklaren ;
Bijgevolg
aan verweerder verbod op te leggen om zolang de oorlogssituatie in Irak en de
bezetting van Irak niet zijn beëindigd, minstens voor een periode van drie
maanden ingaand op de datum van de tussen te komen beschikking, het Belgische
grondgebied, de Belgische lucht- en zeehavens, het Belgische luchtruim te laten
gebruiken door de V.S.A. en door het
V.K. voor ieder transport van militaire troepen en militair materiaal, wapens,
communicatiemiddelen, logistieke middelen, uitrusting of andere materiële
middelen of aanverwanten die direkt of indirekt bestemd zijn voor de
oorlogsvoering van de V.S.A. en van het
V.K. tegen de republiek Irak.
Dat
verweerder bij gebreke aan opvolging van vermeld verbod veroordeeld wordt tot
betaling aan concluanten samen van een dwangsom van 1 miljoen euro per door een
Gerechtsdeurwaarder of via officiële stukken vastgestelde inbreuk op het
verbod.
Verder
te bevelen dat binnen de vijf dagen na tussenkomst van de te vellen beschikking
alle niet openbare akkoorden tussen België en de V.S.A., zowel deze die op
regeringsniveau als deze die tussen de militairen van de beide landen werden
afgesloten en die betrekking hebben op de transporten door de V.S.A. van
militaire troepen en militair materiaal, wapens, communicatiemiddelen,
logistieke middelen, uitrusting of andere materiële middelen of aanverwanten
worden overgelegd aan concluanten op straffe van het betalen van een dwangsom
van 10.000 euro per dag en per akkoord dat niet wordt overgelegd.
Verweerder
te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van concluanten begroot op:
Dagvaarding:
224,12 euro
RPV:
223,10 euro
De tussen te komen beschikking uitvoerbaar te horen
verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling of
kantonnement ;
Brussel,
Voor
concluanten hun raadslieden
Mr Raf Jespers
Mr Jan Fermon
Mr
Jan De Lien
dossier : A20030681
- -
D
A G V A A R D I N G in K O R T
G E D I N G 04/04/2003
1. Aangezien het een
zaak is met een spoedeisend karakter zodat de Voorzitter zetelend in kortgeding
bevoegd is (artikel 584 Ger. Wetboek).
A. Feitelijke gegevens en belang
2. Op dit ogenblik voeren de Verenigde Staten
van Amerika (V.S.A.) en het Verenigd Koninkrijk (V.K.) met steun van enkele
andere landen een oorlog tegen en in de republiek Irak.
Deze oorlog is volgens
het internationaal recht een agressieoorlog en is een misdaad tegen de vrede.
De Belgische Staat bij
monde van de Belgische regering laat inzonderheid de V.S.A. toe
om via België militair
en ander personeel en materiaal te transporteren dat bestemd is voor het voeren
van, minstens het ondersteunen van het voeren van de oorlog tegen Irak.
De Belgische Staat
laat eveneens toe dat B-52 bommenwerpers en andere vliegtuigen van het V.K.en
van de V.S.A. van het Belgische
luchtruim gebruikmaken om naar Irak te vliegen en dit land en inzonderheid de
hoofdstad Bagdad te bombarderen of militairen en militaire goederen over te
brengen naar de Golfregio.
De transporten
geschieden over land via het Belgisch spoorwegnet, het wegennet en via de haven
van Antwerpen met name via het Vrasenedok op de Antwerpse linkeroever en de
kaaien 1217 en volgende.
De transporten
geschieden eveneens via de luchthaven te Oostende waar vliegtuigen van het
Amerikaanse leger of bestemd voor het vervoer van militair personeel of
materiaal, landen om bij te tanken.
4. De transporten gaan nog steeds verder; de
pers en goedingelichte bronnen melden dat er nog steeds transporten geschieden
via de luchthaven te Oostende en dat ondermeer op 17-18 april 2003 een nieuw
transport voorzien wordt via het Vrasene-dok van de haven van Antwerpen.
De Belgische regering
heeft nooit ontkend dat de transporten nog steeds gaande zijn.
De melding dat
bijkomend 120.000 manschappen door de V.S.A.
naar het front zullen worden gezonden maakt het aannemelijk dat nieuwe
transporten van militair materiaal en personeel via België zullen geschieden.
Ook het gebruik van
het Belgische luchtruim door vliegtuigen van het V.K. bestemd voor
bombardementen en voor het overvliegen van militair materiaal en personeel naar
de Golfregio bestemd voor gebruik in en boven Irak gaat nog steeds door.
5. De bombardementen richten grootschalige
verwoestingen aan in diverse Iraakse steden en maken talloze slachtoffers niet het
minst onder de burgerbevolking.
6. De eerste en tweede verzoeker zijn
respectievelijk urgentie-arts en kinderarts en verblijven op dit ogenblik als
artsen in Bagdad met een missie van de VZW Geneeskunde voor de Derde Wereld, waar zij de slachtoffers van de oorlog en
inzonderheid van de bombardementen medische bijstand verlenen.
Zij maken ondermeer
melding van zware luchtbombardementen op Irak door vliegtuigen van het leger
van de V.S.A. en van het V.K..
Zij maken melding van
een groot aantal burgerslachtoffers dat door deze bombardementen reeds
gesneuveld en gewond werd.
7. In het dagboek uit Bagdad van dokter Van
Moorter op 29 maart 2003 te 6h30 is te lezen:
Vannacht trok Dr. Geert Van Moorter naar een klein ziekenhuis aan de rand
van Bagdad, twee uur nadat de plaatselijke al-Nasser markt geraakt was door een
kruisraket. De markt ligt in de Shula-wijk, een van de armste wijken van de
stad. Aan de telefoon met zijn zus Marijke is het eerste wat Geert zegt:
"Het is afschuwelijk, het is gruwelijk wat er nu allemaal gebeurt. De
ziekenhuizen zitten overvol, levenden en doden worden binnengebracht, dokters
moeten over lijken stappen om de eventuele overlevenden er tussenuit te halen… Ze
bombarderen nu dag en nacht, de smeerlappen, en doelbewust op burgers. Ze
mikken op markten, zelfs een markt waar arme mensen langsgaan om een paar
ajuinen te kopen. Ze bombarderen niet één keer maar verschillende keren op
dezelfde plaats. `t Is een echte schande… Er is vast en zeker geen militair
doelwit in de wijde omgeving. Er staan geeneens grote gebouwen in de wijk,
alleen burgerwoningen."
Dan beschrijft Geert de
situatie in het hospitaal: "Het ziekenhuis bood een aanblik als was het de
hel. Complete chaos. Overal bloed. Patiënten aan het roepen en schreeuwen. Dokters
die al het mogelijke deden om hun patiënten te redden. Een arts probeerde een
kind van twee jaar te reanimeren dat nog naar adem hapte, maar tevergeefs… Het
gezondheidspersoneel liep wenend rond. Een verpleegster zag een eigen
familielid onder de slachtoffers… Dat kleine ziekenhuis telde vannacht 55
doden, waaronder 15 kinderen."
"Stel je eens voor",
zei Geert tegen zijn zus, "jij die ook moeder bent: een moeder zit in het
ziekenhuis, haar huis werd getroffen, één van haar kinderen is dood en de twee
andere liggen hier, zwaar gewond. Ze kijkt wezenloos voor zich uit… Ik heb
foto's gemaakt, maar ze zijn té gruwelijk, ik kan die niet doorsturen…" (wordt
emotioneel). "Het is verschrikkelijk… Die oorlog moet stoppen!"
"Wat hiert gebeurt, toont
eens te meer dat alle beweringen over een ‘chirurgische oorlog' grove leugens
zijn", vervolgt Geert. "Het is een vuile oorlog waarin de
burgerbevolking sterft. De meeste slachtoffers zijn vrouwen en kinderen. Dit is
een misdaad tegen de menselijkheid. Hopelijk zullen Bush en Blair het ooit voor
een rechtbank moeten komen uitleggen."
De geest van verzet wordt er
niet minder om bij de Iraki's. "De mensen die we in het hospitaal zagen,
waren woedend", meldt Geert. "`Lafaards', riepen ze, `ze vechten niet
met onze troepen, maar mikken in de plaats op burgers!' De mensen zijn nu heel
bedroefd, maar ook heel strijdbaar. Ze zijn woest op de V.S.A. en
Groot-Brittannië, en zullen zich niet zo gauw overgeven."
Geert wijst nog eens op de rol
van België. "Jullie moeten alles doen om die wapentransporten te
stoppen", vraagt hij. "Leg je voor de treinen, keten je eraan vast. Als
ik bedenk dat de bommen die wij op onze kop krijgen, mogelijk door het
Belgische luchtruim zijn gepasseerd …"
8. Eerste en tweede verzoeker maken tot op vandaag
melding van minstens twee ernstige bominslagen op burgerdoelwitten in Bagdad:
op 25 maart 2003 op het middaguur op de snelweg in Sha’ab 20 doden en
tientallen gewonden, en op 29 maart 2003 door een kruisraket op de Al-Nasser
markt in de Shu’ ala-wijk waarbij minstens 55 doden en tientallen gewonden
vielen.
Zij delen mee dat er
dagelijks burgerslachtoffers vallen door de bombardementen.
Zij maken melding van
bominslagen op zeer korte afstand van het hotel Palestine waar zij overnachten.
9. Het leven en de fysische integriteit van de
Iraakse burgers aan wie zij medische hulp verlenen, aan de familieleden ervan
en van eerste en tweede verzoeker zelf zijn dagelijks in gevaar door de oorlog
en inzonderheid door de dagelijkse nietsontziende bombardementen door de V.S.A.
en door het V.K. op Bagdad.
10. Eerste en tweede
verzoekers wijzen verder op de ernstige aantasting van het
voedseldistributiesysteem, van de drinkwatervoorziening en het rioolsysteem en
van de medische infrastructuur in Bagdad en andere Irakese steden als gevolg
van de oorlog.
11. Derde verzoeker is
algemeen chirurg in het Al Anour ziekenhuis in de wijk Shu’ala te Bagdad, Irak.
Hij doet een dringende oproep om de barbarij en alles wat ertoe bijdraagt te
stoppen. Hij werd als arts geconfronteerd met de doden en gewonden van de
raketinslag van 29 maart 2003 in de wijk waar zijn ziekenhuis is gevestigd. Als
burger van Irak klaagt hij de onwettigheid van de oorlog en de schending van de
soevereiniteit van zijn land aan.
12. Vierde verzoeker
is woordvoerder van de vredesbeweging Stop.USA (Stop United States of
Agression) en is als dusdanig een belangrijke spreekbuis van de Belgische
publieke opinie die in grote meerderheid gekant is tegen de agressieoorlog
tegen Irak en tegen de oorlogstransporten die door de Belgische regering worden
toegelaten. Hij wijst erop dat de brede publieke opinie in dit land, gaande tot
en met oppositiepartij CD&V de regering aanklaagt omdat zij de transporten
toelaat. Als woordvoerder van een belangrijk deel van de Belgische publieke
opinie en in persoonlijke naam heeft hij belang bij het stopzetten van de
transporten.
13. Vijfde verzoeker
is voorzitter van de vereniging SOS-Irak die na de eerste golfoorlog werd
opgericht ter ondersteuning van de Irakese bevolking die slachtoffer was van
het handelsembargo. Op dit ogenblik organiseert de vereniging materiële, morele
en politieke ondersteuning van en solidariteit met het Irakese volk dat gebukt
gaat onder de oorlog.
14. Zesde verzoeker is
als journalist herhaaldelijk op onderzoek geweest naar Irak en stelt dat hij
als onderdaan van België vanuit het internationaal recht en het volkenrecht
niet kan aanvaarden, noch moreel, noch juridisch, noch politiek dat België
medeplichtig is aan de oorlog tegen Irak.
B. De oorlog tegen
Irak schendt het internationaal recht
15. De oorlog van de V.S.A. en van het V.K.
tegen Irak vindt geen enkele legitimatie in het internationaal recht en is
bovendien fundamenteel in strijd met het internationaal verdragsrecht en
internationaal gewoonterecht.
Op 7 maart 2003
publiceren zestien professoren van enkele van de meest prestigieuze Britse
universiteiten zoals Oxford, Cambridge, London College en London School of
Economics in The Guardian een brief waarin zij schrijven dat er ‘op basis van
de openbaar gemaakte informatie in het internationaal recht geen
rechtvaardiging bestaat voor het gebruik van geweld tegen Irak”.
Diverse juristen delen
dit standpunt. (O. Corten e.a. Lettre ouverte aan Eerste Minister, Minister van
Buitenlandse Zaken en Minister van Defentie, maart 2003; Jean Flamme, Bush en
Blair voor het internationaal strafhof?, De Standaard, 11 maart 2003).
Noch het
internationale, noch het nationale recht geven een wettelijke grondslag voor de
transporten van militair materiaal of personen of van voor militair gebruik
bestemd materiaal of personen, over het Belgisch grondgebied of door het
Belgische luchtruim.
16. De grootschalige verwoestingen van
infrastructuur door de bombardementen en het op grote schaal doden en verwonden
van Irakese burgers door de oorlog vindt geen enkele legimiteit in het internationaal recht.
17. De Belgische Staat en met name de Belgische
regering maakt zich door het toelaten van de transporten medeplichtig aan
agressie, aan misdaden tegen de vrede, aan inbreuken op het Europees Verdrag
ter bescherming van de rechten van de mens en op het Internationaal verdrag van
de Verenigde Naties van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke
rechten (BUPO), en aan inbreuken op de Belgische genocidewet en de Belgische
strafwet.
18. De Belgische Staat en de Belgische federale
Eerste Minister als persoon begaan een onrechtmatige daad door de transporten
te laten plaatsvinden.
Verzoekers lichten deze stellingen toe.
B.1. Geen legitimatie
voor de oorlog van de V.S.A. en het V.K. tegen de republiek Irak. Geweldverbod
als pijler van de internationale rechtsorde.
19. Zowel België als de V.S.A. en het V.K. (en
Irak) zijn lid van de Verenigde Naties en hebben bijgevolg de verplichtingen
onder het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945 onderschreven.
Deze verplichtingen
gaan voor op enig ander verdrag (art.
103 Handvest) en hebben derhalve een
constitutionele draagwijdte voor de internationale gemeenschap ( Jan Wouters, hoogleraar
internationaal recht aan de KU Leuven, Juridische argumentatie Irak-oorlog in
strijd met het internationaal recht, Juristenkrant 26 maart 2003, p. 11).
De internationale
rechtsorde zoals neergelegd in het Handvest is gebaseerd op de soevereiniteit
van de staten (artikel 1 BUPO).
De VN werden na de
tweede wereldoorlog opgericht vanuit een vastberadenheid om “komende
geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog “.
20. Eén van de hoofdbeginselen die de leden van
de VN moeten respecteren, is dat zij zich “in hun internationale
betrekkingen onthouden … van bedreiging met of het gebruik van geweld tegen de
territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een Staat” (art.
2, lid 4, VN Handvest). VN-leden dienen hun conflicten vreedzaam op te lossen
(art. 2, lid 3 VN Handvest).
Het geweldverbod is
een pijler van de internationale rechtsorde.
Het VN-Handvest kent
op dit geweldverbod slechts twee uitzonderingen :
1. geweldgebruik toegestaan
door de Veiligheidsraad, die de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de
handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
2. het inherente recht
tot individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende
aanval, totdat de Veiligheidsraad de noodzakelijke maatregelen ter handhaving
van de internationale vrede en veiligheid heeft genomen (artikel 51 VN
Handvest).
21. Het verbod
van interstatelijk geweldgebruik vormt voor het Internationaal
Gerechtshof in Den Haag daarenboven een regel van internationaal
gewoonterecht (Nicaragua-arrest 1986).
De International Law
Commission van de Verenigde Naties acht dit zelfs een norm van dwingend
volkerenrecht (ius cogens) .
22. Geen enkele
resolutie van de VN-veiligheidsraad legitimeert het oorlogsgeweld in Irak.
Op geen enkele wijze
kan resolutie 1441 gezien worden als een bevestiging dat er geen bijkomende
resolutie nodig is (Jan Wouters, op. cit., p. 11).
In punt 14 van de
resolutie wordt trouwens uitdrukkelijk gesteld: “Decides to remain seized of
the matter”.
Bovendien blijkt dit
uit het feit dat drie permanente leden van de Veiligheidsraad (Frankrijk,
China, Rusland) op de dag van de stemming van resolutie 1441 een gezamenlijke
verklaring aflegden waarin zij stelden dat de
resolutie elk automatisch geweldgebruik uitsluit en dat het aan de
Veiligheidsraad toekomt hierover een Besluit te nemen.
Het gegeven dat de
V.S.A. en het V.K. nog in laatste instantie zelf een nieuwe resolutie hebben
willen laten stemmen die geweld zou toelaten bevestigt vermelde stelling.
De Belgische Staat
zelf heeft steeds het standpunt verdedigd dat resolutie 1441 geen toelating
inhield tot oorlogsgeweld.
23. Ten overvloede wordt er op gewezen dat de
Veiligheidsraad geen « impliciete » machtiging heeft gegeven tot
geweldgebruik en dit gelet op het fundamenteel karakter van het geweldverbod.
24. Artikel 51 van het VN-Handvest stelt dat er
enkel sprake is van een zelfverdediging « in geval van gewapende
aanval ». Er is geen sprake van een aanval van Irak. De oorlog wordt
bijgevolg evenmin gelegitimeerd door het recht op zelfverdediging in hoofde van
de V.S.A. of het V.K..
B.2. De oorlog van de
V.S.A. en het V.K. tegen de republiek Irak is een schending van het
agressieverbod (misdaad van agressieve oorlogsvoering).
25. Gezien het Handvest van de Verenigde Naties
aan de Veiligheidsraad de exclusieve bevoegdheid toewijst om op te treden met
betrekking tot de bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van
agressie (Hoofdstuk VII Handvest) dient hieruit a contrario te worden afgeleid
dat geen andere internationale instantie dan de Verenigde Naties hiertoe
bevoegd is en dus zeker geen ander land.
De V.S.A. en het V.K. zijn op eigen houtje een
oorlog begonnen zonder instemming van
de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
26. Het Handvest van de Verenigde Naties
definieert agressie – de misdaad van agressieve oorlogsvoering – niet
rechtstreeks. In resolutie 3314 van de Algemene Vergadering aangenomen op 14
december 1974 wordt volgende definitie geformuleerd.
Artikel 1: « Agressie
is het gebruik van de gewapende macht door een Staat tegen de soevereiniteit,
territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere Staat of
op enige andere manier die niet strookt met het Handvest van de Verenigde
Naties zoals uiteengezet in deze definitie. »
27. Het plegen van oorlogsgeweld tegen de
republiek Irak zonder dat daarvoor door de Veiligheidsraad een uitdrukkelijke
machtiging is verstrekt moet dan ook gekwalificeerd worden als agressie (in de
zin van resolutie 3314) die niet enkel juridisch als volkenrechtelijke
onrechtmatig is, maar een ernstig misdrijf vormt naar internationaal recht.
B.3. De oorlog van de V.S.A.
en het V.K. tegen de republiek Irak is een misdaad tegen de vrede, een
oorlogsmisdaad en een misdaad tegen de mensheid.
28. Het handvest van het Internationaal militair
tribunaal van Neurenberg van 8 augustus 1945 kwalificeert als een misdrijf tegen
de vrede:
“Het maken van
plannen voor, het voorbereiden van, het nemen van initiatieven tot, of het
voeren van een aanvalsoorlog of een oorlog in strijd met internationale
verdragen, overeenkomsten of verzekeringen, of deelneming aan een
gemeenschappelijk plan of samenzwering voor het verrichten van bovengenoemde
handelingen”.
Hetzelfde handvest
kwalificeert in hetzelfde artikel 6 oorlogsmisdaden:
“Schendingen van
de oorlogswetten of oorlogsgebruiken. Zulke schendingen zullen inhouden, maar
zijn er niet toe beperkt, moord, slechte behandeling of deportatie voor
slavenarbeid of voor elk ander doel van de burgerbevolking of in bezet gebied,
moord of slechte behandeling van oorlogsgevangenen of van personen onder
toezicht, doden van gijzelaars, het plunderen van publiek eigendom, bewuste
vernieling van steden of dorpen, of verwoestingen die niet om militaire redenen
gerechtvaardigd zijn.”
Artikel 6 kwalificeert
alsvolgt misdaden tegen de menselijkheid:
“Moord, uitroeing,
enslavement, deportatie en andere onmenselijke daden tegen de burgerbevolking,
voor of tijdens de oorlog…”.
Artikel 6 bepaalt
voorts:
“Leiders,
organisatoren, zij die hebben uitgelokt en medeplichtigen, die hebben
deelgenomen aan het opstellen of uitvoeren van een gemeenschappelijk plan of
samenzwering om een van de bovengenoemde misdrijven te begaan, zijn
aansprakelijk voor alle daden die door personen ter uitvoering van dit plan
zijn verricht.”
29. Het
handvest van Neurenberg is volkenrechtelijk gewoonterecht en is als dusdanig
van toepassing. Nog recentelijk, bij het totstandbrengen het Statuut van het
Joegoslavië Tribunaal, werd door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties
tot uitdrukking gebracht dat het Joegoslavië Tribunaal in geen enkel opzicht
nieuw recht zou gaan toepassen, doch uitsluitend dat recht dat als volkenrechtelijk
gewoonterecht algemeen is gevestigd. Waarbij door hem dan in zijn begeleidend
rapport bij het publiceren van de bepalingen van dit Statuut van het
Joegoslavië Tribunaal op dit stuk wordt gesteld:
"34. In the view of the secretary-General,
the application of the principle nullum crimen sine lege requires
that the international tribunal should apply rules of international
humanitarian law which are beyond any doubt part of customary law so that the
problem of adherence of some but not all States to specific conventions does
not arise. This would appear to be particularly important in the context of an
international tribunal prosecuting persons responsible for serious violations
of international humanitairian law.
35. The part of conventional international
humanitarian law which has beyond doubt become part of international
customary law is the law appliclable in armed conflict as embodied in: the
Geneva Conventions of 12 August 1949 for the Protection of War Victims; 3/
the Hague Convention (IV) Respecting the Laws and Customs of War on Land and
the Regulations annexed thereto of 18 October 1097 ; 4/ the Convention
on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide of 9 december 1948; 5/
and the Charter of the International Military Tribunal of 8 August 1945."
(Report of the Secretary-General pursuant to
Paragraph 2 of the Security Council Resolution 808 (1993), dated 3 may 1993, S/2507).
B.4. Schending van de
Internationale Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en van de Aanvullende
Protocols I en II bij die Verdragen en van de Belgische wet van 16 juni 1993
betreffende de bestraffing van de ernstige inbreuken op (Belgische genocidewet)
die bepalingen van vermelde bedragen in de Belgische strafrechtsorde invoegt.
30. De Belgische genocidewet is niet alleen van
toepassing op Belgen maar ook onder specifieke voorwaarden op vreemdelingen.
De wet straft
personen, individuen en geen staten. De persoonlijke stafbaarstelling van
personen die de in vermelde wet omschreven misdrijven uitvoeren en van de
aanzetters tot , van de deelnemers (de wet stelt artikelen 66 en 67 van het
Stafwetboek toepasselijk) en van hen die verzuimd hebben gebruik te maken van
de mogelijkheid tot handelen om de voltooing ervan te verhinderen of te doen
ophouden, maakt dat de Belgische regering, alleszins de verantwoordelijke
ministers, als persoon strafbaar kunnen gesteld worden wanneer zij niet het
nodige doen om de vermelde misdrijven te voorkomen.
Dit houdt ook in dat
zij gehouden zijn al het mogelijke te doen om minstens in het kader van hun
bevoegdheid op het Belgische grondgebied de misdrijven te voorkomen.
31. Verzoekers zijn van mening dat de oorlog die
zich thans afspeelt in Irak ernstige inbreuken uitmaakt op volgende artikels
van de genocidewet:
Artikel 1, &1: genocide
als internationaalrechtelijke misdaad waaronder wordt verstaan de handelingen
gepleegd met de bedoeling om geheel of gedeeltelijk … een nationale groep met
name delen van de Irakese bevolking, uit te roeien, door het doden van leden
van de groep, het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan
leden van de groep…
Artikel 1, &2: misdaad
tegen de mensheid waaronder wordt verstaan de volgende handelingen in het
kader van een veralgemeende of stelselmatige aanval op de burgerbevolking, door
moord, beroving van de lichamelijke vrijheid…
Artikel 1,&3: internationaal
rechtelijke misdaden bestaande uit handelingen of nalatigheden die schade
toebrengen aan personen beschermd door het verdrag van Genève van 12 augustus
1949 en het eerste en tweede aanvullend protocol, door opzettelijke doodslag,
moedwillig veroorzaken van hevig lijden, toebrengen van ernstig lichamelijk
letsel dan wel ernstige schade aan de gezondheid, het uitvoeren van een
niet-onderscheidende aanval waardoor burgerbevolking getroffen wordt…
B.5. Schending van de
bepalingen van het Internationaal verdrag van de Verenigde Naties inzake burgerrechten
en politieke rechten (BUPO) van 19 december 1966, B.S. 6 juli 1983 en van het
Europees verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden (EVRM).
32. Verzoekers stellen dat volgende artikels van
het BUPO overtreden worden door het toelaten van transporten van materiaal
bestemd voor de oorlog in Irak over het Belgische grondgebied en door het
Belgische luchtruim.
De oorlog en de
transporten schenden de volgende basisrechten van verzoekers.
BUPO:
Artikel 1.1: Alle
volken bezitten het zelfbeschikingsrecht. Uit hoofde van dit recht bepalen zij
in alle vrijheid hun politieke status en streven zij vrijelijk hun economische,
sociale en culturele ontwikkeling na.
Artikel 1.3. De Staten
die partij zijn bij dit Verdrag … bevorderen de verwezenlijking van het
zelfbeschikkingsrecht en eerbiedigen dit recht overeenkomstig de bepalingen van
het Handvest der Verenigde Naties.
Artikel 6.1.: Een
ieder bezit een inherent recht op het leven. …
Artikel 6.3: Wanneer
de beroving van het leven het misdrijf genocide inhoudt is het wel te verstaan
dat geen enkele bepaling van dit artikel een Staat die partij is bij dit
Verdrag de bevoegdheid geeft af te wijken van enigerlei verplichting die is
aanvaard krachtens de bepalingen van het Verdrag inzake de voorkoming en
bestraffing van genocide.
Artikel 7: Niemand mag
worden onderworpen aan folteringen, noch aan wrede, onmenselijke of
vernederende behandeling of bestraffing. …
Artikel 20.1: Alle
oorlogspropaganda is bij wet verboden.
EVRM:
Artikel 2.1: Het recht
van eenieder op het leven wordt beschermd door de wet.
Artikel 3: Niemand mag
worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende
behandelingen of straffen.
Artikel 5: Eenieder
heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid.
B.6. geen wettelijke
grondslag in de Belgische wet voor de militaire transporten over het Belgische
grondgebied
33. Art 185 van de Grondwet
stelt :
“Vreemde troepen mogen niet dan krachtens een wet tot
de dienst van de Staat worden toegelaten, het grondgebied bezetten of er
doorheen trekken.”
Hieruit dient afgeleid te worden dat de Koning zelf geen toelating kan
geven om vreemde troepen of in casu militaire transporten toe te laten.
34. De Belgische wet die “de
doortocht en het verblijf in België toelaat van de troepen van de met België
door het Noord-Atlantisch Verdrag verbonden landen” van 11 april 1962, B.S. 20
april 1962, bepaalt in zijn enig artikel:
“De troepen van Staten met België door het Noord Atlantisch
Verdrag verbonden mogen het nationaal grondgebied doortrekken of er
gestationeerd zijn binnen de grenzen en onder de voorwaarden voor elk geval
vastgesteld in met de betrokken regeringen te sluiten uitvoeringsakkoorden”.
35. De wet van 11.04.1962 laat de regering niet
toe uitvoeringsakkoorden te sluiten en uit te voeren anders dan in het kader
van het NAVO-Verdrag van 4 april 1949.
De Belgische eerste
minister verklaarde op 17 januari 2003 tijdens het actualiteitsdebat in de
Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers dat de transporten plaatsvonden in
het kader van een bilateraal akkoord (Host Nation Support Agreement), dat op 19
juli 1971 tussen België en de V.S.A.
werd gesloten op basis van de wet van 11 april 1962.
In de memorie van
toelichting bij deze wet (Parlementaire stukken, 646, 1959-1960) verwijzen de
destijds bevoegde ministers uitdrukkelijk naar artikel 3 van het NAVO-Verdrag.
In dit artikel 3 (dat letterlijk in de memorie van toelichting wordt
overgenomen) wordt gesteld dat “de Verdragsluitende Partijen, ieder voor zich
en tezamen, haar inividueel en collectief vermogen om een gewapende aanval te
weerstaan zullen handhaven en ontwikkelen, door voortdurend en op doelmatige
wijze zich zelf te versterken en elkander hulp te verlenen.”
Uit het bovenstaand
dient dan ook afgeleid worden dat het uitvoeringsakkoord dat afgesloten werd
(Host Nation Support Agreement) gezien dient te worden ter uitvoering van art.
3 van het NAVO-Verdrag.
36. Verzoekers
verwijzen naar en sluiten zich aan bij “Note sur le Traité secret conclu entre
la Belgique et les Etats-Unis en 1971” opgesteld door drie professoren
internationaal recht aan de ULB met name Olivier Corten, Eric David en Pierre
Klein. Deze nota stelt op basis van een uitvoerige juridische argumentatie dat
de keuze van de Belgische regering om de transporten toe te laten een politieke
keuze is, en in geen enkele mate een juridische verplichting. Zij hebben de
nota gemaakt na het publiek worden van het ‘geheim’ akkoord van 1971. Ook het
feit dat de ministers Michel en Flahaut op de RTBF verklaarden dat er geen
transporten meer zouden plaatsvinden via België, maar enkele dagen later na
tussenkomst van de Eerste Minister op dit standpunt terugkwamen, bevestigt dat
het om een politieke keuze gaat.
37. Het akkoord van
1971 kan niet geinterpreteerd worden als een toelating om het Handvest van de
VN te schenden. Zoals hoger gesteld is de oorlog van de V.S.A. en het V.K. een
agressie die niet verenigbaar is met artikels 2&3 en 2&4 van het VN-handvest.
Het is dan ook voor de hand liggend dat België de verplichting heeft geen hulp
of bijstand te verlenen aan een land dat een agressie pleegt. Het Handvest
heeft conform haar artikel 103 voorrang op ieder ander internationaal akkoord.
De hogere rechtsnorm mag niet geschonden worden in naam van een lagere
rechtsnorm.
De eerste inleidende
zin van het NAVO-verdrag bepaalt immers:
“De partijen bij
dit Verdrag bevestigen opnieuw hun vertrouwen in de doeleinden en beginselen
van het Handvest van de Verenigde Naties en hun wens om in vrede te leven met
alle volkeren en alle regeringen”.
Artikel 1 van het
NAVO-verdrag bepaalt:
“De partijen
verbinden zich ertoe om, zoals uiteengezet in het Handvest van de Verenigde
Naties, alle internationale geschillen waarin zij mochten worden gewikkeld met
vreedzame middelen te beslechten op zodanige wijze dat de internationale vrede
en veiligheid en gerechtigeheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun
internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van
geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de
Verenigde Naties”.
Artikel 7 van het
NAVO-verdrag bepaalt:
“Dit verdrag
heeft geen invloed, en mag niet worden uitgelegd als hebbende enige invloed op
de rechten en verplichtingen ingevolge het Handvest van partijen die lid zijn
van de Verenigde Naties, noch op de primaire verantwoordelijkheid van de
Veiligheidsraad voor de handhaving van internationale vrede en veiligheid.”
Artikel 8 van het
NAVO-verdrag stelt tenslotte:
“Elk der partijen
… verplicht zich geen enkele internationale verbintenis aan te gaan die
strijdig is met dit Verdrag.”
Het NAVO-verdrag
verklaart zich ondergeschikt aan het Handvest van de Verenigde Naties.
38. Het akkoord is
enkel van toepassing op NAVO-operaties.
In de preambule wordt gesteld: “… which
is te ensure logistic support of the American forces stationed in the central
region of the Allied Command in Europe … for the purpose of achieving the
objectives of the North Altlantic Treaty.” De oorlog in
Irak is geen NAVO-objectief. Diverse NAVO-landen waaronder België zijn er zelfs
duidelijk tegenstander van.
Reeds om die reden kan
dan ook geen toepassing gemaakt worden van het uitvoeringsakkoord van 19 juli
1971, daar de Belgische wet van 11 april 1962, die de basis is voor het
uitvoeringsakkoord, werd gestemd in het kader van het NAVO-verdrag. Vermelde
oorlog gaat bijgevolg het kader van het akkoord te buiten.
39. Artikel 3 van het NAVO-verdrag plaatst
bovendien de wederzijdse hulpverlening (in casu de transporten) in het kader
van het “handhaven van het vermogen om een gewapende aanval te weerstaan”. Er
is geen sprake van een gewapende aanval tegen de V.S.A. of tegen het V.K..
Het NAVO-verdrag zelf
maakt duidelijk dat de Belgische wet van 11 april 1962, en bijgevolg ook het
uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971 niet van toepassing zijn in de huidige
situatie. Wat meer is: in de actuele situatie zou de toepassing ervan precies
betekenen dat het NAVO-verdrag zelf waaruit de wet en het akkoord voortvloeien
geschonden wordt.
40. In het actualiteitsdebat in de Kamer van
Volksvertegenwoordigers stelt de Belgische eerste Minister dat “volgens het
akkoord van 19 juli 1971 de VS in tijden van spanning gemachtigd zijn om een
communicatielijn te activeren om materiaal te transporteren, zoals zij op 29
januari 2003 hebben gedaan.” Het begrip “tijden van spanning” vindt geen enkele
grondslag in het NAVO-verdrag en bijgevolg evenmin in de wet van 11 april 1962,
die een uitvloeisel is van het NAVO-verdrag.
Voor zover de
Belgische regering refereert naar “de periode van spanning waarin wij ons,
aldus de NAVO, bevinden sinds 12 september 2001” (premier Verhofstadt tijdens
kamerdebat van 17 maart 2003) blijkbaar met verwijzing naar artikel 5 van het
NAVO-verdrag, wordt opgemerkt dat dit in casu evenmin van toepassing is. De op
zich reeds zeer betwistbare toepassing van artikel 5 van het NAVO-verdrag (het
is betwistbaar dat de aanslagen op het WTC en Pentagon van 11 september 2001 te
kwalificeren zijn als een gewapende aanval tegen een land dat lid is van de
NAVO), kan niet uitgebreid worden tot de oorlog van twee NAVO-landen tegen
Irak, waar er geen band tussen Al Quada en Irak is aangetoond. Er is geen
aanval van Irak tegen een land dat lid is van de NAVO. Een vermeende aanval van
een derde (terreurorganisatie) kan niet als rechtvaardiging dienen voor het
inroepen van artikel 5 van het NAVO-verdrag in het kader van de oorlog tegen
Irak.
De professoren Corten,
David en Klein wijzen in hun nota nog op de zeer tegenstrijdige verklaringen
die de diverse ministers van de Belgische regering gaven over het al of niet
inroepen van het begrip “periode van spanning” (nrs. 12-14).
41. Het is verder betwistbaar dat de wet van 11
april 1962 het sluiten van een dergelijk algemeen en lang in de tijd lopend
uitvoeringsakkoord toelaat. In de wet wordt het uitvoeringsakkoord voor
doortrekken en stationeren van troepen voorzien “binnen de grenzen en onder de
voorwaarden voor elk geval vastgesteld”. Dit wijst er op dat er geval per geval
een uitvoeringsakkoord dient gesloten te worden. In de memorie van toelichting
wordt dit bevestigd: “Op grond van de voorgestelde tekst verleent de wet de
toelating tot verblijf en doortocht aan de troepen van de landen, verbonden met
België door het Noord-Atlantisch verdrag, maar de grenzen en de voorwaarden van
iedere doortocht zullen voor elk geval worden vastgesteld in akkoorden
af te sluiten met de betrokken landen”.
Het akkoord zou
herzien zijn in 1994 om de Amerikaanse troepen toe te laten in het kader van
UNO-operaties deel te nemen. Terecht merken vermelde professoren op dat dit
betekent dat het akkoord van 1971 beperkt was tot het strikte NAVO-kader, en
anderzijds dat een uitbreiding enkel mogelijk is in het kader van
UNO-operaties. Zodat het dus evident is dat het akkoord niet van toepassing is
als landen een oorlog voeren buiten het kader van de NAVO of de UNO.
42. Verzoekers zijn dan ook van mening dat de
Belgische Staat zich ter rechtvaardiging van de transporten niet kan beroepen
op het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971, noch op de wet van 11 april 1962.
Alleszins zijn de bepalingen van dit akkoord en van deze wet ondergeschikt aan
de in de huidige situatie ermee strijdige norm van het NAVO-verdrag en met de
nog hogere norm van het VN-Handvest.
43. Bovendien kunnen bij het inmiddels publiek
gemaakte akkoord nog volgende opmerkingen worden gemaakt.
Het akkoord heeft
duidelijk betrekking op de logistieke ondersteuning van Amerikaanse troepen in
Duitsland en niet op het transport naar een land als Irak. In de preambule wordt gesteld: “… which is to ensure
the logistic support of the American forces stationed in the central region of
the Allied Command in Europe…”. Dit wordt bevestigd door artikel 5 van het
akkoord: “To the extent possible at the time, the Belgian Government will
provide the Governement of the United States of America with the services
necessary for debarkation, transshipment, reception and transit of troops,
materiel, equipment and supplies to or from the central region of the Allied
Command in Europe”.
België behoudt in alle
omstandigheden de volledige soevereiniteit over het grondgebied. Dit blijkt uit artikel 8, 1: “In all circumstances,
essential Belgian requirements (civilian and military) shall take priority over
allied requirements of every type. The Belgian Government remains the only
judge of exceptions which critical circumstances may justify.” Het kan moeilijk betwist worden dat de illegaliteit van deze oorlog tegen
Irak en het feit dat België zich
medeplichtig maakt aan agressie, misdaden tegen de vrede en
oorlogsmisdaden begaan door de V.S. en het V.K. in Irak als een ‘critical
circumstance’ kan beschouwd worden. Reeds om die reden kan België op basis van
artikel 8 beslissen het akkoord niet uit te voeren.
Tenslotte kan België
op basis van artikel 14 een betwisting over de interpretatie van het akkoord
onderwerpen aan een overleg met de Amerikaanse minister van Defensie. Van deze
geschillenprocedure is blijkbaar geen gebruik gemaakt.
44. Het uitvoeringsakkoord dat als ‘geheim’ is
geklasseerd, kan ook nog om volgende reden geen toepassing vinden in de
Belgische rechtsorde (zie Jan Wouters, Godelieve Craenen en Dries Van
Eeckhoutte, respectievelijk hoogleraren en wetenschappelijk medewerker aan de
faculteit rechtsgeleerdheid van de K.U.Leuven, Militaire transporten en geheime
akkoorden, zie stuk).
Sedert het einde van
de Eerste Wereldoorlog bestaat in de internationale gemeenschap de consensus
dat het sluiten van Verdragen in volledige openheid en transparantie moet
gebeuren. De afschuw en de verontwaardiging die tijdens en na de oorlog waren
ontstaan door de ontdekking van verschillende geheime akkoorden, liggen mede aan de grondslag van de bepaling in het
Handvest van de Verenigde Naties die alle leden ven de VN ertoe verplicht “elk
verdrag en elke internationale overeenkomst” bij de VN te registreren. Het VN
secretariaat zorgt dan voor de publicatie. Aan de niet publicatie kleeft als
sanctie dat een partij bij zulk verdrag zich niet ten aanzien enig orgaan van de
VN – bijvoorbeeld het Internationaal
Gerechtshof - op dat verdrag of die overeenkomst mag beroepen (art. 102
VN-Handvest). Deze verplichting werd bovendien herbevestigd in artikel 80 van
het Weens Verdrag van 23 mei 1969 over Verdragsrecht, waarbij België eveneens
partij is.
Het bilateraal akkoord
van 1971 – volkenrechtelijk zonder meer een verdrag – is nooit bij de VN
geregistreerd.
Sinds 1993 vereist
artikel 167 van de Belgische Grondwet dat alle door België afgesloten verdragen
aan het parlement ter instemming worden voorgelegd, zoniet hebben ze geen
gevolg. Bij gebreke hiervan kan een verdrag geen gevolg hebben in de Belgische
rechtsorde. Ook het oude artikel 68, 2de lid van de Grondwet
bepaalde dat “verdragen die de Staat zouden kunnen bezwaren of Belgen
persoonlijk zouden kunnen binden, eerst gevolg hebben nadat zij de instemming
van de Kamers hebben gekregen”. Er kan dus worden gesteld dat het akkoord van
1971 op zich geen gevolg heeft noch voor de Belgische Staat noch voor
individuen die de transporten zouden moeten uitvoeren. (Cassatie 11 december
1953, Arr. Verbr. 1954, 252, Pas. 1954, I, 298.:”Om de Belgen individueel te
binden moet een verdrag niet enkel door het Parlement goedgekeurd zijn maar ook
in het Staatsblad bekendgemaakt zijn; Cassatie 25 november 1955, Arr. Verbr.
1956, 234: “De regel van artikel 68, tweede lid, geldt ook voor internationale
overeenkomsten die niet de vorm van een verdrag hebben aangenomen.”)
45. Ten slotte dient opgemerkt dat het
parlementaire controlerecht wat een basisbeginsel is in de parlementaire
democratie met de voeten getreden wordt. Het Parlement kan immers op geen enkel
wijze controleren over welke uitvoeringsakkoorden het gaat en of het wel om een
uitvoeringsakkoord gaat in de zin van de wet van 11 april1962. Immers de
akkoorden werden niet aan de parlementsleden voorgelegd hoewel de toenmalige
minister van buitenlandse zaken Paul-Henri Spaak in de Senaat gesteld had dat
alle uitvoeringsakkoroden van de wet van 11 april 1962 aan de Kamers zouden
getoond worden. (Handelingen Senaat, 1961-62, p.749).
Daar het
uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971 niet officieel gepubliceerd werd is het
betwistbaar dat dit akkoord in de huidige situatie van de oorlog met Irak
toelaat wat de regering stelt dat het toelaat. De inhoud ervan is niet
officieel bekend.
C. Civiele
aansprakelijkheid van de Belgische Staat voor de schade of het ernstig nadeel
van verzoekers en delictuele aansprakelijkheid van de Belgische Staat door
medeplichtigheid aan het schenden van internationale rechtsnormen en Belgische
rechtsnormen met schade en nadelige gevolgen voor verzoekers.
46. De transporten ter zee, land en in de lucht
leveren een wezenlijke bijdrage aan de oorlogsvoering door de V.S.A. en het
V.K. tegen Irak. Deze oorlog betekent een schending van het geweldverbod
opgelegd door het VN-Handvest, maakt het misdrijf uit van de agressieve
oorlogsvoering, maken volgens de internationale normen van het gewoonterecht
geformuleerd in het Charter van Neurenberg een misdaad uit tegen de vrede, een
oorlogsmisdaad en een misdaad tegen de mensheid, en betekent een schending van
het internationale verdrag van Genève van 12 augustus 1949 en de twee
aanvullende protocols en van de Belgische toepassing ervan met name de
genocidewet van 16 juni 1993.
Bovendien worden
diverse bepalingen van het EVRM en het BUPO geschonden.
Tenslotte is er geen
rechtsgrond voor de transporten in het NAVO-verdrag, noch in de Belgische wet
van 11 april 1962 en het uitvoeringsakkoord van 1971.
Verzoekers zijn van mening
dat het toelaten van de transporten te land, ter zee en in de lucht de
medplichtigheid van de Belgische Staat met zich meebrengt. Verder wordt er ook
op gewezen dat de persoonlijke verantwoordelijkheid en individuele
verantwoordelijkheid van de betrokken regeringsleden in het geding is.
47. Uit lezing van
resolutie 3314 van de Algemene Vergadering van de UNO blijkt dat de
medeplichtigheid aan een daad van agressie eveneens als agressie wordt
gekwalificeerd. Meer bepaald gaat het om artikel 3 f.
Artikel 3: “Volgende
daden zullen ongeacht er sprake is van een oorlogsverklaring gezien worden als
een daad van agressie : … f) De daad van een Staat die toelaat dat haar
grondgebied ter beschikking wordt
gesteld van een andere Staat om aan deze toe te laten een daad van agressie te
stellen.
Gezien de Belgische
Staat toelaat Amerikaans legermateriaal dat dienstig is voor de agressie van de
V.S.A. en het V.K. tegen Irak over zijn grondgebied te vervoeren en mee instaat
voor de veiligheid ervan, en zij toelaat dat vliegtuigen van het V.K. voor
bombardementen in Irak gebruik maken van het Belgische luchtruim, pleegt zij
overeenkomstig art. 3 f van resolutie 3314 een daad van agressie.
48. In 1986 heeft het V.K. zijn grondgebied ter
beschikking gesteld van het leger van de V.S.A. voor het uitvoeren van een niet door de Veiligheidsraad
gemachtigde militaire actie tegen Libië. De Algemene vergadering van de UNO
heeft deze gewapende aanval veroordeeld door aan alle staten te vragen “zich te
onthouden van het verlenen van elke hulp of faciliteiten van welke aard ook
aan het plegen van de agressiedaden” (resolutie 41/38 van 20 november 1986).
49. Zeer recent hebben ongeveer 300 specialisten
in Internationaal recht uit een vijftiental landen met betrekking tot de huidige
Irak-oorlog een oproep ondertekend waarin gesteld wordt:
Punt 5: Het
unilateraal uitroepen van een algemene oorlog tegen Irak met de hogervermelde
rechtvaardigingen of voorwendsels betekent het verbreken van de vrede en een
misdaad van agressie volgens de kwalificaties van het internationaal
recht. Deze misdaad doet niet alleen de
verantwoordelijkheid ontstaan van de betrokken staten, maar ook van ider
individu dat vrijwillig en met kennis van zaken heeft deelgenomen aan de
uitvoering ervan.
Punt 6: Iedere
deelname aan een dergelijke oorlog aan de zijde van de Verenigde Staten, met in
begrip van iedere hulp onder welke vorm ook aan de Verenigde Staten door
regeringen van derde landen of van een regionale organisatie, betekent eveneens
een schending van het principe van het geweldverbod.
50. Verzoekers kunnen zich beroepen op de
hogeraangeduide normen die naar hun mening door de Belgische Staat geschonden
zijn.
Dit is niet
betwistbaar voor de normen die volgen uit de normen die tot het interne Belgische
recht behoren (1382 BW, 1383 BW, Belgische genocidewet, Belgische strafwet…),
of van verdragsrechtelijke normen (E.V.R.M., BUPO, …) die bij wet door België
zijn goedgekeurd.
Het is evenmin
betwistbaar dat verzoekers zich als burgers onderdanen van België of zich op
deze rechtsregels kunnen beroepen.
51. Verzoekers stellen
verder dat zij beroep kunnen doen op het geweldverbod dat opgenomen is in
artikel 2, lid 4 van het VN-Handvest.
De rechtstreekse
werking ervan in de interne rechtsorde is ondermeer in Nederland aanvaard als
een mogelijkheid:
“Bij deze stand
van de jurisprudentie moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat
onder omstandigheden aan het in het Handvest neergelegde verbod tot agressie en
tot non-interventie rechstreekse werking wordt toegekend. Een argument hiervoor
lijkt ook artikel 15 lid 2 EVRM te verschaffen, dat afwijking van artikel 2
EVRM niet toestaat behalve in geval van dood als gevolg van ‘onrechtmatige
oorlogshandelingen’ “.
(Pres. Rb. Den Haag,
van 7 april 1999, KG nummer 99/339 inzake Dankovic c.s. / Staat der
Nederlanden).
Artikel 2 van het Handvest richt zich niet alleen op de Leden van de VN,
maar ook op de Organisatie van de Verenigde Naties als geheel en, blijkens de
preambule van het Handvest – welke ingevolge het Weense Verdragenverdrag
immers onlosmakelijk deel uitmaakt van het Verdrag als zodanig -, als het ware
over de hoofden van de Leden en de Organisatie heen, evenzeer op de Volken van
de Verenigde Naties, van wiens vredeswil het Handvest een uitdrukkingsvorm
is. Gelet op deze Preambule, gesteld in de 'wij-vorm', is daarmee het Handvest
dan ook eerder een document van de Volkeren dan van de Staten van de Verenigde
Naties.
Ook reeds daarom kan niet worden aangenomen dat artikel 2 lid 4 van dit Handvest
zich alleen en uitsluitend tot Staten zou richten;
52. Verzoekers beroepen zich niet
primair op artikel 2 lid 4 van het VN-Handvest, doch op de onderliggende
volkenrechtelijk gewoonterechtelijke norm van dwingend recht (ius cogens), die
als zodanig in Nederland ook uitdrukkelijk door het Gerechtshof Amsterdam wordt
geïdentificeerd in het arrrest Dedovic / Kok, en welke voorts ook nog op een
aantal andere plaatsen in het verdragsrecht tot uitdrukking wordt gebracht,
met name ook in het interventieverbod van artikel 3 Protocol II bij de
Verdragen van Genève, welk Protocol natuurlijk rechtstreekse werking allerminst
kan worden ontzegd;
Vervolgens moet nog worden benadrukt dat het feit dat het geweldsverbod een
norm betreft van ius cogens, impliceert dat deze norm een universeel en absoluut
karakter draagt, geldt jegens alles en iedereen en ook door de rechter onder
alle omstandigheden moet worden gehandhaafd, zodat ook om deze reden een ieder
daarop een beroep toekomt die als gevolg van agressie door enigerlei
rechtssubject dat onder de jurisdictie van de rechter valt in persoon schade
ondervindt of dreigt te ondervinden.
53. Tenslotte is ook een onderdeel
van het gewoonterecht dat individuele personen voor schending van de gewoonterechtelijke
norm van het geweldsverbod ook persoonlijk strafrechtelijk kunnen worden
vervolgd, zoals ook verdragsrechtelijk is vastgelegd in onder meer het Handvest
van Neurenberg, het Statuut van het Joegoslavië Tribunaal, het Statuut van het
Rwanda Tribunaal en het Statuut van het Internationaal Strafhof. Dit
principe van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid
voor agressie als misdrijf kan uiteraard niet zonder
konsekwenties blijven naar ook andere rechtsinstanteis dan de (internationale)
strafrechter. Op rechtsregels, voor de welker schending personen een individuele
strafrechtelijke aansprakelijkheid hebben te dragen, komt immers
diezelfde personen vanzelfsprekend ook een individueel beroep in
rechte toe.
D. De hoogdringendheid
en de uitvoerbaarheid bij voorraad is in casu onbetwistbaar.
54. Eerste, tweede en derde verzoeker verblijven
op dit ogenblik in Bagdad. Deze stad wordt dagelijks zwaar gebombardeerd. Deze
stad wordt stilaan omsingeld door de legers van de V.S. en het V.K. .
Er is een eminente en
dagelijkse bedreiging van hun leven en van hun veiligheid. De V.S.A. heeft
bekend gemaakt dat bijkomend 120.000 troepen naar de Golf zullen worden
verscheept of overgevlogen.
Een special report van
CNN van 31 maart 2003 maakt melding van het overbrengen van de 1ste
Armored Division en van het V Corps van de U.S. Army gelegerd in Wiesbaden en
Heidelberg, Duitsland. Het laat zich raden dat hiervoor gebruik zal worden
gemaakt van het Belgische grondgebied, de Belgische havens en het Belgisch
luchtruim.
Er is een transport
voorzien via de Antwerpse haven voor 17-18 april 2003.
De luchthaven van
Oostende wordt nog gebruikt voor minstens het bijtanken van Amerikaanse
oorlogsvliegtuigen.
Het Belgische
luchtruim wordt nog gebruikt voor overvluchten van militaire vliegtuigen die
steden in Irak gaan bombarderen.
Analyse van de
brokstukken van de raket bewijst dat de 62 doden en tientallen gewonden die op
de markt van Shu’ala, een arme islamitische wijk in Bagdad op 30 maart 2003
gedood werden door een projectiel afgevuurd door het leger van de V.S. .
The Independent meldt
dat het Pentagon toelating gaf om gebruik te maken van het gas dat in het
theater in Moskou bij de ontruiming van een bezetting door Tsjetsjenen, tientallen
doden maakte.
Het gevaar voor het
leven en de gezondheid van verzoekers zelf en van de burgers van Bagdad wiens
fysieke integriteit zij als artsen moeten vrijwaren blijft dreigend aanwezig.
Het is onmiskenbaar
dat de transporten en overvluchten bijdragen tot deze oorlogslogica en tot deze
oorlogsmisdaden.
55. Voor derde verzoeker geldt dat de bedreiging
van de soevereiniteit van zijn land, van het leven en de veiligheid van zijn
patienten, familie en vrienden steeds aanwezig blijft en de transporten en
overvluchten leveren hiertoe een bijdrage. De bedreiging van vermelde rechten
en waarden blijft reeel en actueel. De transporten leveren hun bijdrage aan
deze bedreigingen en schendingen van het internationale en nationale recht.
56. Voor vierde, vijfde
en zesde verzoeker wordt gewezen op het feit dat zij in eigen naam en als
woordvoerders van belangrijke politieke, humanitaire en solidariteitsbewegingen
met Irak een dringende tussenkomst wensen opdat de medeplichtigheid van de
Belgische Staat aan de agressie en de ernstige mensenrechtenschendingen zou
ophouden. Zij hebben hiertoe een dringend politiek, moreel en humanitair
belang.
57. De urgentie is aanwezig “wanneer een
onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan
wel ernstige ongemakken te voorkomen”. (Cassatie 11 mei 1990, R.W.; S.
Beernaert, Algemene principes van het civiele kortgeding, R.W. 2001-2002,
1341-1350). Dit is in casu overduidelijk het geval voor de diverse verzoekers.
Bij de belangenafweging mag het duidelijk zijn dat het hier gaat om ernstige
rechtsschendingen die zaken van leven en dood, van gezondheid en blijvende
trauma’s betreffen en de rechter is waar de Belgische Staat haar
verantwoordelijkheid terzake niet consequent neemt de laatste toevlucht voor de
burger.
58. Wat betreft de voorwaarde “uitspraak bij
voorraad” wordt erop gewezen dat maatregelen in kortgeding kunnen steunen op
evidente en onbetwiste rechten. (S. Beernaert, op. cit., nr. 19). Uit het
hogervermelde blijkt duidelijk dat de Belgische Staat een feitelijke situatie
heeft gecreeerd, met name het toelaten van de transporten, en dit op een
onrechtmatige wijze, met name met schending van de internationale en nationale
rechtsnormen die terzake van toepassing zijn. De rechtspraak erkent dat de
Voorzitter zetelend in kortgeding een einde mag maken aan feitelijke toestanden
of aan feitelijkheden die kennelijk tegen het recht indruisen. (Fetweiss,
Kortgeding, nr. 474; S. Beernaert, op. cit., nr. 22).
E. Gevorderde
maatregelen
59. Verzoekers vorderen dat aan de Belgische
Staat verbod wordt opgelegd de transporten bestemd voor de Golfregio doorgang
te laten vinden over het Belgische grondgebied, de Belgische lucht- en
zeehavens, het Belgische luchtruim onder opleg van een dwangsom van 1 miljoen
euro per door een Gerechtsdeurwaarder of via officiële stukken vastgestelde
overtreding van het verbod.
60. Verzoekers vorderen dat alle niet openbare
akkoorden tussen België en de V.S.A. , zowel deze die op regeringsniveau als
deze die tussen de militairen van de beide landen werden afgesloten en die
betrekking hebben op de transporten door de V.S.A. van militair en ander
materiaal over het Belgische grondgebied zouden worden overgelegd aan
verzoekers.
ZO IS HET DAT,
TEN VERZOEKE VAN :
7.
VAN MOORTER Geert, urgentie-arts, geboren
te Aalst op 10 mei 1958, Belg, wonende Vijfhuizen 8 te 9420 Erpe-Mere.
8.
MOULAERT Colette, kinderarts, geboren te
Ukkel op 8 augustus 1945, Belg, wonende Chaussée de Chatelineau 31 te 6061
Montignies-sur-Sambre.
9.
SADA Mustafa, chirurg, geboren te Bagdad op
14 maart 1964, Irakees, wonende in het Al Anour ziekenhuis,Shu’ala, Bagdad,
Irak en voor zover als nodig voor deze procedure woonstkiezend bij advocaat Raf
Jespers, verder vermeld.
10. COTTENIER John, bediende, geboren te Kortrijk op 17 mei 1947, Belg, wonende
Rue de Heigne 43 te 6000 Charleroi.
11. ADRIAENSENS Dirk, ambtenaar, geboren te Holsbeek op 20 oktober 1953, Belg,
wonende Boureng 57 te 7864 Deux-Acren (Lessines).
12. COLLON Michel, journalist, geboren te Ukkel op 1 september 1946, Belg,
wonende Rue André Renard 37 te 4430 Ans.
Met als advocaten Mr
Raf Jespers en Mr Jan De Lien, kantoorhoudend Sint Rochusstraat 59 te 2100
Deurne-Antwerpen, en Mr Jan Fermon, kantoorhoudend Haachtsesteenweg 276 te 1060
Brussel.
Ik ondergetekende,
Meester :
Herman WYERS,
plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van Mter Patrick JESPERS, Gerechtsdeurwaarder,
verblijvende te 1050 Elsene, Paul Emile
Jansonstraat 37,
HEB GEDAGVAARD :
DE BELGISCHE STAAT, VERTEGENWOORDIGD
DOOR DE HEER EERSTE MINISTER Guy
VERHOFSTADT, met kabinet gevestigd 1000 BRUSSEL 1, Wetstraat 16;
alwaar ik het afschrift wel ter hand kan stellen overeenkomstig de art. 33 tot 35 Ger.W., (voor ieder afzonderlijk),
aan zijn aangestelde, Mevrouw VAN KERCKHOVE Marie, alzo
verklaard, zodat ik dit afschrift, waarvoor
wel wordt
getekend voor ontvangst, niet
heb achtergelaten overeenkomstig art. 38 § 1 Ger.W.,
OM TE VERSCHIJNEN :
VOOR DE HEER
VOORZITTER VAN DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, ZETELENDE IN KORT
GEDING, IN HET GEWOON LOKAAL VOOR KORTE GEDINGEN, Zaal 0.13, JUSTITIEPALEIS, POELAERTPLEIN TE 1000 BRUSSEL op
vrijdag vier april 2003 om 09.30 uur;
TEN EINDE :
De vordering toelaatbaar en gegrond te horen verklaren ;
Bijgevolg aan gedaagde
verbod op te leggen om zolang de oorlogssituatie in Irak niet is beëindigd,
minstens voor een periode van drie maanden ingaand op de datum van de tussen te
komen beschikking, het Belgische grondgebied, de Belgische lucht- en zeehavens,
het Belgische luchtruim te laten gebruiken door de V.S.A. en door het V.K. voor ieder transport van
militaire troepen en militair materiaal, wapens, communicatiemiddelen, logistieke
middelen, uitrusting of andere materiële middelen of aanverwanten die direkt of
indirekt bestemd zijn voor de oorlogsvoering van de V.S.A. en van het V.K. tegen de republiek Irak.
Dat gedaagde bij
gebreke aan opvolging van vermeld verbod veroordeeld wordt tot betaling aan
verzoekers samen van een dwangsom van 1 miljoen euro per door een
Gerechtsdeurwaarder of via officiële stukken vastgestelde inbreuk op het
verbod.
Verder te bevelen dat
binnen de vijf dagen na tussenkomst van de te vellen beschikking alle niet
openbare akkoorden tussen België en de V.S.A., zowel deze die op
regeringsniveau als deze die tussen de militairen van de beide landen werden
afgesloten en die betrekking hebben op de transporten door de V.S.A. van
militaire troepen en militair materiaal, wapens, communicatiemiddelen,
logistieke middelen, uitrusting of andere materiële middelen of aanverwanten
worden overgelegd aan verzoekers op straffe van het betalen van een dwangsom
van 10.000 euro per dag en per akkoord dat niet wordt overgelegd.
Gedaagde partij zich
te horen veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de
rechtsplegingsvergoeding ;
De tussen te komen
beschikking uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande alle
verhaal en zonder borgstelling of kantonnement ;
Onder alle voorbehoud
en zonder enige nadelige erkenning noch afstand, en onder uitdrukkelijk
voorbehoud de vordering te vermeerderen of verminderen in de loop van het
geding;
Eis gesteund op de wetten
en gebruiken terzake, de overwegingen die voorafgaan en alle andere op tijd en
stond te doen gelden en hier uitdrukkelijk voorbehouden ;
En opdat de gedaagde
partij hiervan niet onwetend zou zijn, heb ik haar gelaten, zijnde en sprekende
zoals hierboven gezegd, een afschrift van huidig exploot, onder gesloten omslag
indien nodig, overeenkomstig de Wet.
Ten jare tweeduizend
en drie, op één april.-
WAARVAN AKTE.
Kosten : tweehonderdvierentwintig
euro twaalf cent --
eventueel meer de
kosten van aangetekende zending(en) : € 4.21
VR :
99.87
RS : 7.04
VACB : 9.01 REG : 25.00 ZEG :
10.00
UROL : 69.50 PLZ :
3.70
_______________
Totaal : 224.12
[1] “'Many dead after Baghdad shops hit” BBC News, 26 March 2003
[2] Mark Franchetti “US Marines Turn Fire on Civilians at the Bridge of
Death” The Times, 30 March 2003
[3] Michel Guerrin “J’ai vu des marines américains tuer des civils” Le
Monde, April 13, 2003; Paul Eedle “The marines shot anything they considered
a threat” The Financial Times Online, 10 April 2003
http://news.ft.com/s01/servlet/ContentServer?pagename=FT.com/StoryFT/FullStory&c=StoryFT&cid=1048313663741&p=1012571727092
[4] Robert Fisk “Wailing
children, the wounded, the dead: victims of the day cluster bombs rained on
Babylon” The Independent, 3 April 2003
“Bombings kill 48
more civilians south of Baghdad” AFP, 2 April 2003
US drops new high tech cluster bomb in Iraq”
(http://www.abc.net.au/news/newsitems/s823003.htm)
[5] Amnesty International, "Iraq,
Looting, lawlessness and humanitarian consequences", AI INDEX: MDE 14/085/2003 11 April 2003,
http://web.amnesty.org/library/Index/ENGMDE140852003
[6] Simon Jeffery “Baghdad hospital bombed” The Guardian, 2 April 2003
[7] http://www.smh.com.au/articles/2003/04/18/1050172758065.html
[8] “US
admits killing 'at least seven' in Mosul” The Times, 16 April 2003