dossier : A20030681 – tekst van dagvaarding dd 04/04/2003: zie na  conclusie -

D A G V A A R D I N G   in   K O R T   G E D I N G

C O N C L U S I E    D D    29/04/2003

 

Voor:

 

1.            VAN MOORTER Geert, urgentie-arts, geboren te Aalst op 10 mei 1958, Belg, wonende Vijfhuizen 8 te 9420 Erpe-Mere.

2.            MOULAERT Colette, kinderarts, geboren te Ukkel op 8 augustus 1945, Belg, wonende Chaussée de Chatelineau 31 te 6061 Montignies-sur-Sambre.

3.            SADA Mustafa, chirurg, geboren te Bagdad op 14 maart 1964, Irakees, wonende in het Al Anour ziekenhuis,Shu’ala, Bagdad, Irak en voor zover als nodig voor deze procedure woonstkiezend bij advocaat Raf Jespers, verder vermeld.

4.            COTTENIER John, bediende, geboren te Kortrijk op 17 mei 1947, Belg, wonende Rue de Heigne 43 te 6000 Charleroi.

5.            ADRIAENSENS Dirk, ambtenaar, geboren te Holsbeek op 20 oktober 1953, Belg, wonende Boureng 57 te 7864 Deux-Acren (Lessines).

6.            COLLON Michel, journalist, geboren te Ukkel op 1 september 1946, Belg, wonende Rue André Renard 37 te 4430 Ans.

 

Eisers,

 

Met als advocaten Mr Raf Jespers en Mr Jan De Lien, kantoorhoudend Sint Rochusstraat 59 te 2100 Deurne-Antwerpen, en Mr Jan Fermon, kantoorhoudend Haachtsesteenweg 55 te 1060 Brussel.

 

 

Tegen:

 

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Eerste Minister, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 16

 

Verweerder,

 

Met als advocaten Mr Patrick Peeters, kantoorhoudend Graanmarkt 2 te 2000 Antwerpen, en Mr Joost Verlinden, kantoorhoudend Brederodestraat 13 te 1000 Brussel.

 

 

Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kortgeding,

A.R. 03/515/C

 

 

 

Onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkentenis.

 

Gezien de inleidende dagvaarding dd. 1 april 2003.

 

 

 

 

I.                   Feitelijke gegevens

 

1.  Op dit ogenblik voeren de Verenigde Staten van Amerika (V.S.A.) en het Verenigd Koninkrijk (V.K.) met steun van enkele andere landen een oorlog tegen en een militaire bezetting van de republiek Irak.

Deze oorlog is volgens het internationaal recht een agressieoorlog en is een misdaad tegen de vrede.

 

2.  De Belgische Staat bij monde van de Belgische regering laat inzonderheid de V.S.A. toe om via België militair en ander personeel en materiaal te transporteren dat bestemd is voor het voeren van, minstens het ondersteunen van het voeren van de oorlog en de bezetting tegen Irak.

De Belgische Staat liet en laat eveneens toe dat B-52 bommenwerpers en andere vliegtuigen van het V.K. en van de V.S.A.  van het Belgische luchtruim gebruikmaken om naar Irak te vliegen en dit land en inzonderheid de hoofdstad Bagdad te bombarderen of militairen en militaire goederen over te brengen naar de Golfregio.

De transporten geschieden over land via het Belgisch spoorwegnet, het wegennet en via de haven van Antwerpen met name via het Vrasenedok op de Antwerpse linkeroever en de kaaien 1217 en volgende.

De transporten geschieden eveneens via de luchthaven te Oostende waar vliegtuigen van het Amerikaanse leger of bestemd voor het vervoer van militair personeel of materiaal, landen om bij te tanken.

De transporten gaan nog steeds verder; de pers en goedingelichte bronnen melden dat er nog steeds transporten geschiedden via de luchthaven te Oostende en dat ondermeer op 17-18 april 2003 een nieuw transport voorzien was via het Vrasene-dok van de haven van Antwerpen. Er worden nog nieuwe transporten in het vooruitzicht gesteld.

De Belgische regering heeft nooit ontkend dat de transporten nog steeds gaande zijn en bewaart op dit punt het stilzwijgen in de besluiten van verweerder.

 

3.  Een illegaal embargo (zie stuk, rapport Bossuyt) gedurende bijna tien jaar ging vooraf aan de oorlog tegen en de bezetting van Irak door de V.S.A en het V.K.

De bombardementen en de verovering van Irak hebben grootschalige verwoestingen aangericht in diverse Iraakse steden en maakten talloze slachtoffers niet het minst onder de burgerbevolking.

Eerste, tweede en derde concluant maakten ondermeer melding van zware luchtbombardementen op Irak door vliegtuigen van het leger van de V.S.A.  en van het V.K..

Zij werden zelf geconfronteerd met een groot aantal burgerslachtoffers dat door deze bombardementen en door het gebruik van geweld bij de verovering van Bagdad door de militairen van de V.S.A. reeds gesneuveld en gewond werden

 

4.  In zijn besluiten stelt verweerder het voor alsof er eerst precisiebombardementen op Bagdad plaatsvonden en dat daarna de coalitiestrijdkrachten de stad gewoon veroverd hebben. Verweerder laat na te vermelden dat na de zogenaamde precisiebombardementen, die ook heel wat burgerslachtoffers hebben gemaakt (ondermeer twee bombardementen op een autoweg en op een markt met samen meer dan 90 doden), er daarna diverse terreurbombardementen geweest zijn op Bagdad die de burgers niet ontzien hebben. En dat bovendien bij de inname van Bagdad zeer veel geweld tegen burgers is gebruikt met honderden doden en gewonden voor gevolg en met een georchestreerde plundering en vernieling van bepaalde openbare gebouwen, ondermeer ziekenhuizen. Het beeld dat verweerder van het militair optreden van de V.S.A. en het V.K. schetst strookt niet met de realiteit.

 

 

5.  De oorlog tegen Irak en bezetting van Irak schenden het internationaal recht

De oorlog van de V.S.A. en van het V.K. tegen Irak en de militaire bezetting van Irak vinden geen enkele legitimatie in het internationaal recht en zijn bovendien fundamenteel in strijd met het internationaal verdragsrecht en internationaal gewoonterecht. De grootschalige verwoestingen van infrastructuur door de bombardementen en het op grote schaal doden en verwonden van Irakese burgers door de oorlog vindt geen enkele legimiteit in  het internationaal recht. De bezetting van Irak als gevolg van deze oorlog vindt evenmin enige steun in het internationaal recht.

 

 

6.  Op 7 maart 2003 publiceren zestien professoren van enkele van de meest prestigieuze Britse universiteiten zoals Oxford, Cambridge, London College en London School of Economics in The Guardian een brief waarin zij schrijven dat er “op basis van de openbaar gemaakte informatie in het internationaal recht geen rechtvaardiging bestaat voor het gebruik van geweld tegen Irak”.

Diverse juristen delen dit standpunt. (O. Corten e.a. Lettre ouverte aan Eerste Minister, Minister van Buitenlandse Zaken en Minister van Defentie, maart 2003; Jean Flamme, Bush en Blair voor het internationaal strafhof?, De Standaard, 11 maart 2003).

Noch het internationale, noch het nationale recht geven een wettelijke grondslag voor de transporten van militair materiaal of personen of van voor militair gebruik bestemd materiaal of personen, over het Belgisch grondgebied of door het Belgische luchtruim.

 

 

7.  De Belgische Staat en met name de Belgische regering maakt zich door het toelaten van de transporten medeplichtig aan agressie, aan misdaden tegen de vrede, aan inbreuken op het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en op het Internationaal verdrag van de Verenigde Naties van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO), en aan inbreuken op de Belgische genocidewet en de Belgische strafwet.

De Belgische Staat en de Belgische federale Eerste Minister als persoon begaan een onrechtmatige daad door de transporten te laten plaatsvinden.

Terecht stelt verweerder dat de al of niet toepassing van het akkoord van 19 juli 1971 tussen de V.S.A. en België een essentiele kwestie is in de huidige betwisting. Concluanten zijn van mening dat dit verdrag geen enkele juridische grondslag levert voor de transporten.

 

II. Vordering

 

8.  Concluanten vragen dat aan verweerder verbod wordt opgelegd om zolang de oorlogssituatie in Irak en de bezetting van Irak niet is beëindigd, minstens voor een periode van drie maanden ingaand op de datum van de tussen te komen beschikking, het Belgische grondgebied, de Belgische lucht- en zeehavens, het Belgische luchtruim te laten gebruiken door de V.S.A.  en door het V.K. voor ieder transport van militaire troepen en militair materiaal, wapens, communicatiemiddelen, logistieke middelen, uitrusting of andere materiële middelen of aanverwanten die direkt of indirekt bestemd zijn voor de oorlogsvoering van en de bezetting door de V.S.A.  en van het V.K. van de republiek Irak.  

Tevens wordt gevraagd dat verweerder bij gebreke aan opvolging van vermeld verbod veroordeeld wordt tot betaling aan concluanten samen van een dwangsom van 1 miljoen euro per door een Gerechtsdeurwaarder of via officiële stukken vastgestelde inbreuk op het verbod.

Verder vragen concluanten te bevelen dat binnen de vijf dagen na tussenkomst van de te vellen beschikking alle niet openbare akkoorden tussen België en de V.S.A., zowel deze die op regeringsniveau als deze die tussen de militairen van de beide landen werden afgesloten en die betrekking hebben op de transporten door de V.S.A. van militaire troepen en militair materiaal, wapens, communicatiemiddelen, logistieke middelen, uitrusting of andere materiële middelen of aanverwanten worden overgelegd aan concluanten op straffe van het betalen van een dwangsom van 10.000 euro per dag en per akkoord dat niet wordt overgelegd.

 

 

III. In Rechte

 

&1. Beweerde nietigheid van de dagvaarding wegens schending van de taalwet Gerechtszaken

 

9.  Verweerder stelt dat de dagvaarding zou nietig zijn omdat er een aantal citaten in het Engels in opgenomen zijn.

 

10. Verweerder duidt geen specifiek artikel in de taalwet gerechtszaken van 15 juni 1935 aan dat de nietigheid van de dagvaarding zou meebrengen. Dergelijk artikel bestaat niet. In fine op pagina 8 van de besluiten verwijst verweerder naar artikel 40 van de taalwet gerechtszaken, doch dit artikel heeft het over “vorenstaande regels” die voorgeschreven zijn op straffe van nietigheid. Verweerder duidt niet aan welke van vorenstaande regels van toepassing zouden zijn. Geen enkele van de vorenstaande regels (bedoeld zijn de artikels 30-39 van de taalwet gerechtszaken) is in casu van toepassing.

 Ingevolge artikel 860 gerechtelijk wetboek kan een proceshandeling niet nietig worden verklaard indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen.

De dagvaarding kan bijgevolg niet nietig worden verklaard.

 

 

11.  Ondergeschikt,

Verweerder steunt zich op voorbijgestreefde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 1988.

Dit arrest had als basis artikel 43 van het gerechtelijk wetboek waarin bepaald wordt dat op straffe van nietigheid het exploot van betekening door de optredende gerechtsdeurwaarder ondertekend moet zijn en vermelden… 5° de naam en de voornaam van de gerechtsdeurwaarder zn het adres van zijn kantoor”. In casu gaat het daar niet over.

Dit arrest had verder als basis artikel 862, &1 van het gerechtelijk wetboek dat bepaalde: “De regel van artikel 861 geldt niet voor een verzuim of onregelmatigheid betreffende (…) 10° het taalgebruik in gerechtszaken”.

Artikel 861 gerechtelijk wetboek bepaalt: “De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangehaalde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.”

Intussen is door artikel 34 van de wet van 3 augustus 1992 artikel 862, &2 van het gerechtelijk wetboek gewijzigd in die zin dat & 1, 10° is weggelaten.

Dit betekent dat artikel 861 gerechtelijk wetboek wel van toepassing is.

Dit sluit aan bij de tendens in de wetgeving en rechtspraak om onregelmatigheden, quod non, enkel dan te sanctioneren met nietigheid als er belangschade is of als het normdoel niet werd bereikt (artikel 867 gerechtelijk wetboek).

Het is duidelijk dat de enkele korte citaten in het engels in een dagvaarding die 16 bladzijden lang is de belangen van verweerder niet schaadt.

Verweerder werpt het geschaad zijn van zijn belangen trouwens niet op in zijn initiële conclusie. Verweerder repliceert in besluiten op ondermeer de engelstalige citaten, wat bevestigt dat hij er geen probleem mee heeft. Bovendien is het duidelijk dat zij de engelse taal machtig is; verweerder is de Belgische eerste minister. Verweerder gebruikt zelf stukken in het engels ondermeer stuk 1 (Agreement van 1971), waarvan trouwens geen nederlandstalige versie bestaat. De korte citaten in de dagvaarding komen uit officiële ‘diplomatieke’ aan verweerder goed bekende teksten zoals de resolutie 1441 van de V.N., het standpunt van de secretaris generaal van de V.N. in verband met het Joegoslavië tribunaal en het engelstalig akkoord van 1971 tussen België en de V.S.A. .

Bovendien staat de zakelijke inhoud van de citaten wel degelijk in het nederlands als korte samenvatting voor of na de citaten vermeld, zoals een eenvoudige lezing van de nummers 22, 29, 38 en 43 leert. De citaten illustreren de aangeduide stellingname.

Verweerder kan dan ook niet ernstig volhouden dat haar belangen zijn geschaad.

Zelfs in deze ondergeschikte orde moet aanvaard worden dat de dagvaarding niet nietig is.

 

 

&2. Gebrek aan rechtsmacht

 

Verweerder stelt dat de rechtbank om drie redenen geen rechtsmacht heeft om zich over de vordering uit te spreken. Deze argumentatie van verweerder gaat niet op.

 

A.     Het werkelijk voorwerp van de vordering zou de schorsing van een overheidshandeling zijn.

 

12.  Concluanten zouden volgens verweerder via een “verhullende formulering” in feite de schorsing erga omnes beogen van een overheidshandeling.

De door concluanten gevraagde maatregelen zijn duidelijk en in geen enkele mate “verhullend”. Zij vragen dat maatregelen worden bevolen die de aantasting van hun rechtmatige subjectieve rechten zouden doen ophouden. 

De dagvaarding maakt dit duidelijk.

 

13. De Voorzitter in kortgeding is bevoegd en niet de Raad van State.

 

13.a. -“Vooreerst dient de justitiële rechter in kort geding geacht bevoegd te zijn gebleven wat de handelingen van het bestuur betreft die geen krachtens artikel 14&1 Raad van State-wet vernietigbare handeling uitmaken”. (A. Mast e.a., Overzicht van het Belgisch administratief recht, Kluwer Antwerpen, 1999, p. 905).

In casu steunt de houding van verweerder in verband met de transporten op een geheim akkoord van 1971 en op andere geheime akkoorden. Concluanten kunnen niet de vernietiging vragen van een in principe niet gekend akkoord. Verder heeft de Belgische Staat geen enkele recente beslissing genomen waarvan de vernietiging eventueel zou kunnen gevraagd worden. Integendeel: zij huldigt naar haar eigen mededelingen een passieve houding ten aanzien van de transporten.

Peter Moors, diplomatiek adviseur van verweerder, schrijft in De Standaard van 1 april 2003: “Heeft de Belgische regering haar toestemming gegeven? Nee, want dat hoefde helemaal niet. Artikel 1 van het akkoord van 1971 handelt over de opening van een communicatielijn waardoor Amerikaans materiaal en troepen over Belgisch grondgebied kunnen worden getransporteerd. Het artikel maakt een onderscheid tussen vredestijd en periodes van internationale spanning. In vredestijd kunnen beide landen in onderling akkoord besluiten om een communicatielijn te openen. Maar in periodes van internationale spanning kunnen de Verenigde Staten dat eenzijdig doen. Dat is ook precies wat ze deden, op 29 januari 2003”. (stuk 18 concluanten).

 

13.b. -“De justitiële rechter in kort geding moet evenzeer nog bevoegd worden geacht wanneer het werkelijke voorwerp van het geschil een subjectief recht betreft dat in hoofde van de eiser rechtstreeks wordt bedreigd of geschonden, in welk verband trouwens de artikelen 144 en 145 Grondwet in herinnering kunnen worden gebracht.” (A. Mast, e.a. , op. cit., p. 905-906).

De artikels 144 en 145 van de Grondwet kennen de geschillen over burgerlijke en politieke rechten bij uitsluiting toe aan de rechtbanken (behoudens wat de politieke rechten betreft bij wet gestelde uitzonderingen die in casu niet van toepassing zijn).

“Elke schade (aantasting van rechtmatig belang) die veroorzaakt is door een onrechtmatig overheidsbesluit levert een subjectief recht op schadevergoeding op (artikel 1382 B.W.). … Het subjectief recht waarover het hier gaat is het recht op schadevergoeding. .. Wanneer evenwel de schade zelf bestaat in de aantasting van een subjectief recht tegenover de Overheid waaraan een dwingende plicht van de Overheid beantwoordt, is alleen de rechter bevoegd om voorlopige maatregelen te bevelen ter vrijwaring van het subjectief recht”.

(B. Van Dorpe, De wet van 19 juli 1991 betreffende het administratief kort geding, R.W. 1991-1992, p. 1387).

Zoals uit de dagvaarding blijkt steunt de vordering op de aantasting van de subjectieve rechten en subjectief politieke rechten van concluanten. De Raad van State is bijgevolg niet, de rechter in kortgeding, is wel bevoegd.

 

13.c. -Voor de volledigheid wordt er nog op gewezen dat “uit de evolutie van de rechtspraak van het Hof van Cassatie kan worden afgeleid dat in sommige gevallen een ‘parallelle’ bevoegdheidsverdeling tussen de administratieve en de burgerlijke kortgedingrechter mogelijk is, d.w.z. dat beiden bevoegd zijn om op te treden in eenzelfde zaak, zij het vanuit een ander oogpunt". (A. Mast, op. cit., p. 906; zie voetnoot in verband met standpunt van D. Lindemans: “Conclusie van de voormelde auteur is dat meestal een schorsingsberoep bij zowel de Raad van State, als de burgerlijke kortgedingrechter mogelijk is wanneer de concluant/eiser optreedt tegen de begunstigde van een zogeheten ‘permissieve akte’, doch dat dit veel minder het geval is wanneer hij optreedt tegen de overheid zelf, die te zijnen opzichte een verplichting miskent. Beantwoordt die verplichting aan een subjectief recht in zijnen hoofde en beroept hij zich op de schending van de regel die deze verplichting instelt, dan is de burgerlijke rechter exclusief bevoegd”).

 

 

B.     De Belgische rechter zou zich niet mogen uitspreken over aangelegenheden van buitenlands beleid en over de uitvoering van internationale akkoorden

 

14.  De oude door verweerder aangehaalde rechtspraak (van 1872, 1952, 1963 en 1969) is, voor zover ze al over het zelfde voorwerp zou gaan, quod non, alleszins achterhaald.

 

15.  De bevoegdheidsverdeling tussen rechtelijke en uitvoerende macht verbiedt de rechter bestuurlijke functies uit te oefenen, maar verplicht hem recht te spreken om het geschil tussen partijen te beslechten. De rechterlijke macht heeft aldus de bevoegdheid de Overheid te veroordelen tot betaling of om iets te doen of niet te doen omdat het rechtssubject het recht heeft tegenover de Overheid zijn rechten te doen gelden voor de rechtbanken. Er is geen principiële ontoelaatbaarheid van een vordering tegen de Overheid of een onbevoegdheid van de rechterlijke macht. (B. Van Dorpe, op. cit., p. 1387).

In zijn arrest van 21 maart 1985 heeft het Hof van Cassatie overwogen “dat de rechter in kort geding zich niet mengt in de bevoegdheden van de uitvoerende macht, wanneer hij in een uitspraak bij voorraad in een geval dat hij spoedeisend acht, zich bevoegd verklaart om, binnen de grenzen van zijn opdracht, aan de bestuursoverheid maatregelen, inzonderheid verbodsmaatregelen, op te leggen die noodzakelijk zijn ter voorkoming of stopzetting van een ogenschijnlijk foutieve aantasting door de overheid van de subjectieve rechten die de hoven en rechtbanken moeten vrijwaren”. (Pas. 1985, I, 908, met advies van adv.-gen. Velu).

“De rechterlijke macht is bevoegd om de door het bestuur bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatigheid vast te stellen. Het voorschrift van artikel 485 Ger. W. verbiedt de rechter in kortgeding niet een voorlopige maatregel te nemen als het bestaan van een recht voldoende waarschijnlijk is om het nemen van die beslissing te verantwoorden.” (Cassatie 25 april 1996, R.W. 1996-1997, p. 432).

 

16.  Sinds 1956 heeft de rechtspraak steeds frequenter de bevoegdheid erkend van de gewone rechter voornamelijk in kort geding om maatregelen te nemen ter bescherming van de subjectieve rechten van een slachtoffer van een onwettig overheidsoptreden. Bij flagrante wetsschenis waardoor een onbetwistbaar recht werd geschonden, vond de theorie van de ‘voie de fait’ een vruchtbare bodem bij de kortgedingrechter. Deze onder invloed van het Franse recht ingevoerde theorie van de administratieve feitelijkheid werd als te beperkend verworpen door het Hof van Cassatie omdat de rechterlijke macht bevoegd is tot bescherming en herstel van elke foutieve aantasting van een subjectief recht door de Overheid. (B. Van Dorpe, o.c., p. 1387).

 

17.  Ook het door verweerder aangehaalde arrest van de Raad van State dd. 9 april 1998 ondersteunt evenmin de thesis dat een Belgische rechter zich niet zou mogen uitspreken over aangelegenheden van buitenlands beleid en de uitvoering van internationale akkoorden.

De Raad van State stelt: “qu’en raison de sa nature, l’acte par lequel l’Etat accréditaire informe (eigen cursivering)  l’Etat accréditant qu’un membre du personnel diplomatique est persona non grata échappe à la compétence du juge de l’excès de pouvoir”, (vrije vertaling: “omwille van zijn aard ontsnapt de akte waarmee de accrediterende staat de geaccrediteerde staat informeert dat een lid van het diplomatiek personeel persona non grata is aan de rechter die de machtsoverschrijding moet beoordelen”). Het arrest verduidelijkt verder nadat het gesteld heeft dat het aan de accrediterende staat behoort een persona non grata terug te roepen: “que la décision de l’Etat accréditaire qui par elle-même n’a pas d’effet en droit, ne peut être soumise à la censure du Conseil d’Etat” (vrije vertaling: “dat de beslissing van de accrediterende staat die op zichzelf geen rechtsgevolgen heeft, niet aan de censuur van de Raad van State kan onderworpen worden”).

Het is dus duidelijk dat uit vermeld arrest geen argument voor de stelling van verweerder kan geput worden.

 

 

C.     De Belgische rechter dient zich niet uit te spreken over soevereine handelingen van een andere staat

 

18.  Concluanten vragen niet dat de kortgedingrechter zich zou uitspreken over de soevereine handelingen van de V.S.A. of het V.K. .

Concluanten vragen dat de rechtbank zich zou uitspreken over de schendingen van het internationaal en nationaal recht door de Belgische staat.

De rechtbank kan in het kader van de tegen de Belgische staat gevraagde maatregelen wel kennis nemen van de schendingen van het internationaal recht door de V.S.A. en het V.K. met betrekking tot de oorlog tegen Irak. Zoals verweerder zelf stelt dienen hoven en rechtbanken geen gevolgen te geven aan beslissingen van vreemde staten indien deze in strijd zijn met het internationaal recht. (pagina 12 besluiten verweerder). Verweerder spreekt zichzelf bovendien tegen. De door verweerder geciteerde (p. 14 besluiten) professor Ergec erkent dat nationale rechtscolleges bevoegd zijn om schendingen van het internationaal recht te sanctioneren, al is het ‘met uiterste voorzichtigheid’.

Strikt genomen kan de rechtbank voor het nemen van de gevraagde maatregelen zich trouwens beperken tot de controle op de legaliteit van het optreden van de Belgische Staat in verband met de transporten zonder zich in enige mate te moeten uitspreken over de legaliteit van de oorlog tegen Irak.

 

19.  Het is evenmin juist te stellen dat de vordering “de contouren van een kort geding ver overschrijdt” omdat een analyse van de internationaalrechtelijke legaliteit van de militaire operaties een nauwgezet en grondig onderzoek zou vergen. (pagina 14 besluiten verweerder). Het specifieke van het kort geding is juist “dat de rechter zijn beslissing kan steunen op een voorlopige beoordeling van de grond van de zaak en kan dus – op al dan niet diepgaande wijze – nagaan wat de vermoedelijke rechtspositie van de partijen is”. En: “In tegenstelling tot zijn vroegere rechtspraak vereist het Hof van Cassatie vandaag niet meer dat geen ernstige betwisting bestaat over de ingeroepen rechtssituatie. (Cassatie 29 september 1983, Pas. 1984, I, 72). Ook indien grote onduidelijkheid bestaat over de uitkomst van het bodemgeschil, kan de rechter in kort geding bepaalde maatregelen bevelen, zij het in principe geen verregaande maatregelen. Niet-evidente rechten kunnen met andere woorden ook bescherming genieten in kort geding”.

(S. Beernaert, Algemene principes van het civiele kort geding, R.W. 2001-2002, p. 1348).

Zoals concluanten verder aantonen is de schending van de principes van het internationale en nationale recht in casu zelfs evident. Maar zelfs zo dit niet het geval zou zijn, quod non, dan nog dienen maatregelen te worden bevolen wanneer er “een ogenschijnlijke foutieve aantasting is van een subjectief recht”, wanneer er “een onwettig overheidsoptreden is”, wanneer “het bestaan van het recht voldoende waarschijnlijk is”.

 

20.  De Act of State-doctrine kan niet zover gaan dat zij de hoven en rechtbanken verbieden op te treden tegen op het eerste zich evidente schendingen van het internationaal recht. De tendens in het internationaal recht is trouwens dat meer en meer controle wordt ingebouwd (bv. Europese gerechtshoven, International Criminal Court, Belgische genocidewet…) op de handelingen van andere staten of van burgers van andere staten. Verder is het betwistbaar dat de vertaling van “actes” in het boek van F. Rigaux en M. Fallon, Droit International privé, verder kan gaan dat het nederlandse “akte”, waar de vertaling van verweerder dit uitbreidt tot alle handelingen van de vreemde staat. Klassiek is aanvaard dat een akte van een vreemde staat (bv. beslissing tot terugname van een vreemdeling) niet op haar wettigheid door de Belgische rechtbanken kan onderzocht worden. Maar dit uitbreiden tot alle “handelingen” van een vreemde staat is niet aanvaardbaar.

De door verweerder geciteerde Belgische rechtspraak gaat in de vermelde gevallen over specifieke akten en niet over algemene handelingen van een vreemde staat.

 

21.  In tegenstelling tot wat verweerder steeds zelf heeft gesteld wordt thans in besluiten opgeworpen “dat het in casu evenwel niet boven enige twijfel verheven is dat de militaire operaties de toets van het internationaal recht niet kunnen doorstaan”.

Verweerder gaat zelfs verder en verwijst naar professor Marc Cogen die het “preventief militair optreden” verdedigt.

Het is merkwaardig dat de Belgische eerste minister dit standpunt inneemt, al is het “louter bij wijze van illustratie”, daar de Belgische regering zich steeds op het standpunt heeft gesteld dat een nieuwe resolutie van de V.N.-veiligheidsraad nodig was voor een oorlog in Irak.

“… en indien men beslist tot een operatie, dan zeggen wij dat daarvoor een tweede, duidelijke VN-resolutie in elk geval noodzakelijk is om dat te doen. … “. en, “… et enfin, en cas d’opération, si l’Irak refuse totalement de faire quoi que ce soit après les constats, il faut une deuxième résolution, …” ( vrije vertaling: “ … en tenslotte, in geval van een optreden, indien Irak volledig weigert wat ook te doen na de vaststellingen, dan is een tweede resolutie noodzakelijk…”).

(premier Verhofstadt, kamerdebat 17 januari 2003, stuk 4 verweerder).

 

21.a.  In tegenstelling tot wat verweerder stelt staat het wel boven twijfel dat er geen legitimatie is voor de oorlog van de V.S.A. en het V.K. tegen de republiek Irak. Het geweldverbod, dat een  pijler van de internationale rechtsorde, wordt door de oorlog geschonden.

Zowel België als de V.S.A. en het V.K. (en Irak) zijn lid van de Verenigde Naties en hebben bijgevolg de verplichtingen onder het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945 onderschreven.

Deze verplichtingen gaan voor op enig  ander verdrag (art. 103 Handvest) en hebben derhalve  een constitutionele draagwijdte voor de internationale gemeenschap ( Jan Wouters, hoogleraar internationaal recht aan de KU Leuven, Juridische argumentatie Irak-oorlog in strijd met het internationaal recht, Juristenkrant 26 maart 2003, p. 11).

De internationale rechtsorde zoals neergelegd in het Handvest is gebaseerd op de soevereiniteit van de staten (artikel 1 BUPO).

De VN werden na de tweede wereldoorlog opgericht vanuit een vastberadenheid om “komende geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog “.

 

21.b.  Eén van de hoofdbeginselen die de leden van de VN moeten respecteren, is dat zij zich “in hun internationale betrekkingen onthouden … van bedreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een Staat” (art. 2, lid 4, VN Handvest). VN-leden dienen hun conflicten vreedzaam op te lossen (art. 2, lid 3 VN Handvest).

Het geweldverbod is een pijler van de internationale rechtsorde.

Het VN-Handvest kent op dit geweldverbod slechts twee uitzonderingen :

1. geweldgebruik toegestaan door de Veiligheidsraad, die de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

2. het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval, totdat de Veiligheidsraad de noodzakelijke maatregelen ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid heeft genomen (artikel 51 VN Handvest).

De oorlog van de V.S.A. en het V.K. tegen de republiek Irak is een schending van het agressieverbod (misdaad van agressieve oorlogsvoering).

Gezien het Handvest van de Verenigde Naties aan de Veiligheidsraad de exclusieve bevoegdheid toewijst om op te treden met betrekking tot de bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie (Hoofdstuk VII Handvest) dient hieruit a contrario te worden afgeleid dat geen andere internationale instantie dan de Verenigde Naties hiertoe bevoegd is en dus zeker geen ander land.

De V.S.A.  en het V.K. zijn op eigen houtje een oorlog  begonnen zonder instemming van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

 

21.c.  Het verbod  van interstatelijk geweldgebruik vormt voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag daarenboven een regel van internationaal gewoonterecht (Nicaragua-arrest 1986).

De International Law Commission van de Verenigde Naties acht dit zelfs een norm van dwingend volkerenrecht (ius cogens) .

 

21.d.  Geen enkele resolutie van de VN-veiligheidsraad legitimeert het oorlogsgeweld in Irak.

Op geen enkele wijze kan resolutie 1441 gezien worden als een bevestiging dat er geen bijkomende resolutie nodig is (Jan Wouters, op. cit., p. 11).

In punt 14 van de resolutie wordt trouwens uitdrukkelijk gesteld: “Decides to remain seized of the matter”. (Vrije vertaling: “Beslist gevat te blijven door deze aangelegenheid”).

Bovendien blijkt dit uit het feit dat drie permanente leden van de Veiligheidsraad (Frankrijk, China, Rusland) op de dag van de stemming van resolutie 1441 een gezamenlijke verklaring aflegden waarin zij stelden dat de  resolutie elk automatisch geweldgebruik uitsluit en dat het aan de Veiligheidsraad toekomt hierover een Besluit te nemen.

Het gegeven dat de V.S.A. en het V.K. nog in laatste instantie zelf een nieuwe resolutie hebben willen laten stemmen die geweld zou toelaten bevestigt vermelde stelling.

De Belgische Staat zelf heeft steeds het standpunt verdedigd dat resolutie 1441 geen toelating inhield tot oorlogsgeweld.

 

21.e.  Concluanten verwijzen uitdrukkelijk naar het artikel van professor Jan Wouters waarin hij op gedetailleerde wijze de stellingen weerlegt die verdedigen dat de vroegere V.N.-resoluties over Irak een machtiging zouden geven voor nieuw geweld. (Jan Wouters, Juridische argumentatie Irak-oorlog in strijd met het internationaal recht, De Juristenkrant, 26.3.2003, p. 11).

“… Ik kan deze redenering niet onderschrijven. Het valt moeilijk in te zien hoe men een twaalf jaar oude machtiging tot geweldgebruik, gegeven in een volstrekt andere context – namelijk het ongedaan maken van de invasie en de bezetting van Koeweit door Irak in 1990-91 – vandaag tot nieuw leven kan brengen indien de Veiligheidsraad niet uitdrukkelijk zelf die intentie heeft geformuleerd. A fortiori zie ik niet in hoe die machtiging thans de toelating zou impliceren om met geweld een regimewisseling (‘regime change’) af te dwingen. Hoe kan men trouwens resolutie 1441 zien als een bevestiging dat geen nieuwe resolutie nodig is voor het toelaten van geweld, nu op de dag zelf dat zij werd aangenomen drie permanente leden van de Veiligheidsraad (Frankrijk, Rusland en China) een gezamenlijke verklaring aflegden waarin zij – met verwijzing naar verklaringen van de Britse en Amerikaanse vertegenwoordiger – stelden dat deze resolutie elk automatisme inzake geweldgebruik uitsluit en dat het aan de Veiligheidsraad toekomt hierover een besluit te nemen? Dat de Veiligheidsraad ‘impliciet’ een machtiging tot geweldgebruik zou hebben gegeven, lijkt ons een onhoudbaar standpunt gelet op het fundamenteel karakter van het geweldverbod.”

Diverse andere juristen hebben hetzelfde standpunt verdedigd (zie stukken 10, 13, 15, 16 en 17 concluanten).

 

21.f.  Ten overvloede wordt er op gewezen dat de Veiligheidsraad geen « impliciete » machtiging heeft gegeven tot geweldgebruik en dit gelet op het fundamenteel karakter van het geweldverbod.

Artikel 51 van het VN-Handvest stelt dat er enkel sprake is van een zelfverdediging « in geval van gewapende aanval ». Er is geen sprake van een aanval door Irak. De oorlog wordt bijgevolg evenmin gelegitimeerd door het recht op zelfverdediging in hoofde van de V.S.A. of het V.K..

 

 

 

&3. Gebrek aan belang?

 

A.     Is de vordering van concluanten een actio popularis?

 

22.  Artikel 17 gerechtelijk wetboek bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen. De rechtspraak heeft dit geïnterpreteerd als een persoonlijk en rechtstreeks belang.

 

23.  Verweerder verwart het gegeven dat de overgrote meerderheid van de Belgische bevolking tegen de transporten van Amerikaans militair materiaal en personeel over het Belgisch grondgebied is, en dat de door concluanten ingestelde vordering “populair” is in die zin dat ze aansluit bij de verzuchtingen van de overgrote meerderheid van de Belgische (en Irakese) bevolking, met het feit dat het in casu zou gaan om een actio popularis in die zin dat “geen eigen belang” maar een “algemeen belang” door concluanten zou worden nagestreefd.

Zelfs zo de vordering ook het verdedigen van een “algemeen belang” indirect voor gevolg zou kunnen hebben, houdt dit niet in dat concluanten geen blijk geven van een persoonlijk en rechtstreeks belang, dus van een eigen belang. Verweerder stelt het ten onrechte zo voor alsof het ofwel het ene ofwel het andere is. Een persoonlijk en rechtstreeks belang kan om evidente redenen en in bepaalde rechtszaken willens nillens samenvallen met een algemeen belang.

 

24.  Een moreel belang volstaat:

“Een moreel belang volstaat voor de tussenkomende partijen, die stelden te ijveren voor het behoud van het Nederlanstalig karakter van de faciliteitengemeente, en op die manier ook eigen belangen verdedigden. Dat dit belang wordt gedeeld met andere inwoners van de gemeenten, hoeft daarom nog niet te betekenen dat er sprake zou zijn van een actio popularis.”

(Beslagrechter Brussel, 17 oktober 2000, L.R.B. 2001, 52).

Een persoonlijk en rechstreeks belang kan dus ook een moreel belang betekenen en dit moreel belang volstaat.

.

25.  Verweerder stelt dat concluanten “politieke doelstellingen nastreven veeleer dan persoonlijke belangen”. Zoals hoger gezegd belet het één het ander niet.

Maar anderzijds is het natuurlijk zo dat bepaalde concluanten die ook een politieke opstelling hebben in verband met de oorlog in Irak ook blijk geven van persoonlijk belang, moreel en/of materieel.

Concluanten hebben trouwens in hun eigen stukken hun politieke stellingname duidelijk gemaakt. Maar hieruit afleiden dat zij om die reden geen eigen belang kunnen laten gelden is volkomen eenzijdig en onjuist.

 

26.  Eerste en tweede concluant zijn respectievelijk urgentie-arts en kinderarts en verbleven enkele weken als artsen in Bagdad met een missie van de VZW Geneeskunde voor de Derde Wereld,  waar zij de slachtoffers van de oorlog en inzonderheid van de bombardementen medische bijstand verlenen.

Eerste en tweede concluant maken tot op vandaag melding van minstens twee ernstige bominslagen op burgerdoelwitten in Bagdad: op 25 maart 2003 op het middaguur op de snelweg in Sha’ab 20 doden en tientallen gewonden, en op 29 maart 2003 door een kruisraket op de Al-Nasser markt in de Shu’ ala-wijk waarbij minstens 55 doden en tientallen gewonden vielen.

Zij informeren dat er dagelijks burgerslachtoffers vallen en vielen door de bombardementen en door het hard militair optreden tegen elke verzet tegen de bezetter.

Zij maakten melding van bominslagen op zeer korte afstand van het hotel Palestine waar zij overnachtten.

Eerste en tweede concluant wijzen verder op de ernstige aantasting van het voedseldistributiesysteem, van de elektriciteitsvoorziening, van de drinkwatervoorziening en het rioolsysteem en van de medische infrastructuur in Bagdad en andere Irakese steden als gevolg van de oorlog.

 

27.  Derde concluant is algemeen chirurg in het Al Anour ziekenhuis in de wijk Shu’ala te Bagdad, Irak. Hij bevestigt zijn dringende oproep om de barbarij en alles wat ertoe bijdraagt te stoppen. Hij werd als arts geconfronteerd met de doden en gewonden van de raketinslag van 29 maart 2003 in de wijk waar zijn ziekenhuis is gevestigd. Als burger van Irak klaagt hij de onwettigheid van de oorlog en de schending van de soevereiniteit van zijn land aan.

Hij wordt nog dagelijks geconfronteerd met de slachtoffers van de militaire agressie en van de bezetting en stelt dat hij materieel, fysisch en moreel belang heeft bij de stopzetting van de agressie en bezetting.

 

28.  Vierde concluant is woordvoerder van de vredesbeweging Stop.USA (Stop United States of Agression) en is als dusdanig een belangrijke spreekbuis van de Belgische publieke opinie die in grote meerderheid gekant is tegen de agressieoorlog tegen Irak en tegen de oorlogstransporten die door de Belgische regering worden toegelaten. Hij wijst erop dat de brede publieke opinie in dit land, gaande tot en met oppositiepartij CD&V de regering aanklaagt omdat zij de transporten toelaat. Als woordvoerder van een belangrijk deel van de Belgische publieke opinie en in persoonlijke naam heeft hij belang bij het stopzetten van de transporten. De zending van de twee vermelde artsen in Bagdad is medegeorganiseerd door de beweging waarvoor vierde concluant woordvoerder is. Bijgevolg volgt het belang ook uit de medeverantwoordelijkheid van vierde concluant voor de zending van de artsen in Bagdad en de daaraan gekoppelde doeleinden. Eerste en tweede concluant zijn onderschrijvers van het platform van de beweging Stop.USA en eerste concluant is specifiek één van de woordvoerders van de afdeling regio Aalst van die anti-oorlogsbeweging.

 

29.  Vijfde concluant is voorzitter van de vereniging SOS-Irak die na de eerste golfoorlog werd opgericht ter ondersteuning van de Irakese bevolking die slachtoffer was van het handelsembargo. Op dit ogenblik organiseert de vereniging materiële, morele en politieke ondersteuning van en solidariteit met het Irakese volk dat gebukt gaat onder de oorlog en bezetting. De vereniging SOS-Irak is mede-organisator van de missie van de artsen in Bagdad en heeft in die zin een verantwoordelijkheid tegenover deze personen.

 

30. Zesde concluant is als journalist herhaaldelijk op onderzoek geweest naar Irak en stelt dat hij als onderdaan van België vanuit het internationaal recht en het volkenrecht niet kan aanvaarden, noch moreel, noch juridisch, noch politiek dat België medeplichtig is aan de oorlog tegen en de bezetting van Irak.

 

31.  Het persoonlijk en rechtstreeks belang van concluanten blijkt duidelijk: dit belang is

voor derde concluant alleszins fysisch, materieel en moreel en politiek volkenrechtelijk voor wat betreft de schending van de soevereiniteit van zijn land,

voor eerste en tweede concluant als artsen die in Bagdad gewerkt hebben fysisch, materieel en moreel gezien hun betrokkenheid bij hun patienten,

voor vierde, vijfde en zesde concluant minstens politiek en moreel.

 

 

B.     Daadwerkelijk voordeel van eisers uit de vordering?

 

32. Uit het hogervermelde in verband met het belang blijkt duidelijk dat alle concluanten een daadwerkelijk voordeel halen uit de vordering. Het is duidelijk dat hun belang wezenlijk verschilt van dat van elke doorsnee Belgische burger.

 

33. Het is nogal cynisch om tegen de stukken van het dossier in en tegen de vermeldingen in de media in te betwisten dat de eerste drie concluanten zich op het ogenblik van de dagvaarding in Bagdad bevonden en dat eerste en derde concluant zich er op datum van redactie van de besluiten nog bevinden. Zij leggen twee video-tapes neer die één en ander voor zover als nodig bevestigen.

 

 

 

C.     Ondergeschikt, belang voorhanden gedurende het ganse geding

 

34. De belangen blijven actueel zoals hoger en verder aangetoond. De bombardementen zijn weliswaar, alleszins voorlopig gestopt, voor wat betreft Bagdad, maar de bezetting duurt verder en is militair. De transporten over Belgisch grondgebied en via het luchtruim blijven verder gaan.

Alleszins voor eerste en derde concluant blijft de eigen fysische integriteit in gevaar.

 

35. Er is nog steeds de staat van oorlog, het getransporteerde materiaal via België is militair materiaal bestemd voor de bestendiging van de bezetting en van de repressie tegen elk gewapend en zelfs ongewapend verzet van de Irakese bevolking.

 

&4. Beweerd gebrek aan hoogdringendheid

 

36.  De door verweerder geciteerde Cassatieprincipes zijn gekend: spoedeisend karakter, urgentie beoordeeld op ogenblik uitspraak, urgentie niet te wijten aan eiser (rechtspraak is op dit punt genuanceerder dan de automatische ongegrondverklaring die verweerder hieraan als gevolg verbindt), het niet beantwoorden van de klaarblijkelijke rechten als de urgentie niet is aangetoond.

De urgentie is aanwezig “wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen”. (Cassatie 11 mei 1990, R.W.; S. Beernaert, Algemene principes van het civiele kortgeding, R.W. 2001-2002, 1341-1350). Dit is in casu overduidelijk het geval voor de diverse concluanten.

 

37.  Verweerder is erg ongelukkig waar hij argumenteert (pagina 19 besluiten) “dat indien de eerste drie eisers toch in zekere mate gevaar zouden lopen het gaat om een gevaar waaraan zij zich uit vrije wil hebben onderworpen”, om hieruit dan af te leiden dat zij zelf de urgentie hebben veroorzaakt, en zich er dus niet in rechte kan op beroepen.

Verweerder zet de verantwoordelijkheden fundamenteel op zijn kop. De urgentie is veroorzaakt door de illegale oorlog van de V.S.A. en het V.K. tegen een soevereine staat Irak en door het feit dat de Belgische Staat in strijd met internationale en nationale bepalingen door het toelaten van de transporten de oorlog  en bezetting de facto ondersteunt.

Precies deze oorlog met de bombardementen en het mitrailleren en gewelddadig behandelen van burgers veroorzaken doden en gewonden en het is een medische plicht van eerste drie concluanten als arts om medische en morele hulp en bijstand te verlenen aan deze slachtoffers.

Dat de ziekenhuizen waar thans eerste en derde concluant verblijven geen doelwit zijn van bombardementen is onjuist. Diverse ziekenhuizen in Bagdad werden direct of indirect getroffen door de bombardementen. Bovendien maken eerste, tweede en derde concluant melding van diverse schendingen van het humanitaire oorlogsrecht, zo ondermeer het doorzeven met kogels door Amerikaanse militairen van een ambullance van één van de ziekenhuizen waar zij werken (zie stuk). Zij maken eveneens melding van de massale plundering van de ziekenhuizen onder het passief toekijken van de Amerikaanse bezettingstroepen.

Bovendien vertoeven eerste en derde concluant niet enkel in het ziekenhuis maar verplaatsen zij zich ook in de stad Bagdad.

Er is een eminente en dagelijkse bedreiging van hun leven en van hun veiligheid.

 

38.  Eerste, tweede en derde concluant verbleven op het ogenblik van de inleidende dagvaarding in Bagdad. Tweede concluante is op 16 april 2003 teruggekeerd in België. Eerste en derde concluant verblijven op het ogenblik van de redactie van deze conclusie in Bagdad. Deze stad werd gedurende veertien dagen dagelijks zwaar gebombardeerd. Deze stad in inmiddels militair ingenomen door de legers van de V.S. en het V.K. .

De oorlogssituatie blijft de levenssituatie van eerste en derde concluant bedreigen, alsmede die van de patiënten waarvoor zij instaan. Het gevaar is niet enkel gelegen in de bombardementen, maar ook in de gewapende en militaire bezetting die gepaard gaat met een scherpe repressie. Het gevaar is tevens gelegen in de chaos die de bezetting met zich heeft meegebracht, en die, volgens diverse bronnen, in de hand werd gewerkt door de bezetters.

Het is zelfs niet uit te sluiten dat de bombardementen die op dit ogenblik alleszins in Bagdad niet meer plaatsvinden, hernomen worden in geval van toename van het verzet.

Analyse van de brokstukken van de raket bewijst dat de 62 doden en tientallen gewonden die op de markt van Shu’ala, een arme islamitische wijk in Bagdad op 30 maart 2003 gedood werden door een projectiel afgevuurd door het leger van de V.S. .

The Independent meldt dat het Pentagon toelating gaf om gebruik te maken van het gas dat in het theater in Moskou bij de ontruiming van een bezetting door Tsjetsjenen, tientallen doden maakte.

Het gevaar voor het leven en de gezondheid van eerste en derde concluant zelf en van de burgers van Bagdad wiens fysieke integriteit zij als artsen moeten vrijwaren blijft dreigend aanwezig.

Het is onmiskenbaar dat de transporten en overvluchten bijdragen tot deze oorlogs- en bezettingslogica.

 

39.   De urgentie is actueel.

 

39.a.  Er zijn nog steeds transporten van Amerikaans militair materiaal en personeel over het Belgische grondgebied. Zo werd er op vrijdag 17 april 2003 door vredesactivisten aan de Belgisch-Duitse grens in het rangeerstation Montzen gedurende enkele uren een Amerikaans militair transport voor de Antwerpse haven tegengehouden. Zo wordt de 1ste Armored Brigade, een in Duitsland gelegerde pantserdivisie, naar Irak overgebracht om het grondleger te versterken voor een langdurige militaire bezetting van het land. Er komen nog steeds treinen en helicopters in de Waaslandhaven. Op 18 april 2003 werd het Luxemburgse schip Catherine, dat reeds eerder Amerikaans militair materiaal vervoerde, in de Antwerpse haven verwacht. (zie stuk 29, informatie van het Forum voor Vredesactie).

Verweerder stelt bovendien nergens in conclusie dat de transporten afgelopen zijn.

Bovendien heerst in Irak nog steeds de toestand van oorlog. Noch de V.S.A. noch het V.K. hebben de staat van oorlog afgeblazen en de standpunten van de militairen en politici van beide landen voorspellen dat de staat van oorlog mogelijk nog enkele maanden zal aanhouden.

Er is verzet van de Irakese bevolking tegen de bezetting. Er is melding van diverse massale manifestaties en het schieten door Amerikaanse G.I.’s op deze betogingen ondermeer in Mosul.

 

39.b.  De V.S.A. heeft bekend gemaakt dat bijkomend 120.000 troepen naar de Golf zullen worden verscheept of overgevlogen. Het gaat niet om humanitaire hulp maar om militaire versterkingen.

Een special report van CNN van 31 maart 2003 maakt melding van het overbrengen van de 1ste Armored Division en van het V Corps van de U.S. Army gelegerd in Wiesbaden en Heidelberg, Duitsland. Het laat zich raden dat hiervoor gebruik zal worden gemaakt van het Belgische grondgebied, de Belgische havens en het Belgisch luchtruim.

Er waren recent op 17-18 april 2003 nog transporten via de Antwerpse haven.

De luchthaven van Oostende wordt nog gebruikt voor minstens het bijtanken van Amerikaanse oorlogsvliegtuigen.

Het Belgische luchtruim wordt nog gebruikt voor overvluchten van militaire vliegtuigen met bestemming Irak.

 

40.  Voor derde concluant geldt bovendien de permanente schending van de soevereiniteit van zijn land en de bedreiging  van zijn leven en veiligheid en van dat van zijn patienten, familie en vrienden. Het is niet omdat Irak thans militair in de macht is van de V.S.A. en het V.K. dat dit de reeds gepleegde schendingen van het internationaal recht ongedaan maakt.

De bedreiging van vermelde rechten en waarden blijft reëel en actueel en de gewapende bezetting gaat verder.

De transporten leveren hun bijdrage aan deze bestendiging van de bedreigingen en schendingen van het internationale en nationale recht.

 

41.  Voor vierde, vijfde en zesde concluant wordt gewezen op het feit dat zij in eigen naam en als woordvoerders van belangrijke politieke, humanitaire en solidariteitsbewegingen met Irak een dringende tussenkomst wensen opdat de medeplichtigheid van de Belgische Staat aan de agressie en ernstige mensenrechtenschendingen en aan de bestendiging ervan zou ophouden. Zij hebben hiertoe een dringend politiek, moreel en humanitair belang en dit belang is persoonlijk.

 

 

 

&5. Het gevorderde zou onherroepelijke gevolgen hebben en bijgevolg buiten de rechtsmacht van de rechter in kort geding vallen.

 

 

42.  Verweerder verwijst naar vier Cassatie-arresten om te stellen dat de rechter geen maatregelen mag bevelen waardoor de rechten van partijen op een definitieve en onherstelbare wijze worden aangetast. De lezing van die arresten maakt duidelijk dat de essentie van wat het Hof van Cassatie zegt is dat het de rechter niet verboden is de rechten van partijen te onderzoeken en dat hij maatregelen kan nemen als voldoende rechtsgrond schijnt aanwezig te zijn om de beslissing te rechtvaardigen.

Letterlijk Cassatie 25 april 1996, R.W. 1996-1997, p. 432:

“De rechterlijke macht is bevoegd om de door het bestuur bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatigheid vast te stellen. Het voorschrift van artikel 584 Ger. W. verbiedt de rechter in kortgeding niet een voorlopige maatregel te nemen als het bestaan van een recht voldoende waarschijnlijk is om het nemen van die beslissing te verantwoorden. De rechter in kortgeding is derhalve bevoegd om dringende en voorlopige maatregelen te bevelen als de aantasting van burgerlijke subjectieve rechten het gevolg is van het gebruik, door de dader, van een ogenschijnlijk onrechtmatig gegeven toelating.”

 

43.  Wat dus betreft de voorwaarde “uitspraak bij voorraad” wordt erop gewezen dat maatregelen in kortgeding kunnen steunen op evidente en onbetwiste rechten en op voldoende waarschijnlijke rechten. (S. Beernaert, op. cit., nr. 19). Uit het hogervermelde blijkt duidelijk dat de Belgische Staat een feitelijke situatie heeft gecreeerd, met name het toelaten van de transporten, en dit op een onrechtmatige wijze, met name met schending van de internationale en nationale rechtsnormen die terzake van toepassing zijn. De rechtspraak erkent dat de Voorzitter zetelend in kortgeding een einde mag maken aan feitelijke toestanden of aan feitelijkheden die kennelijk tegen het recht indruisen. (Fetweiss, Kortgeding, nr. 474; S. Beernaert, op. cit., nr. 22).

 

44. Verweerder stelt dat de gevorderde maatregelen “onomkeerbare gevolgen” zou hebben voor de Belgische Staat  en verwijst naar persberichten dat de V.S.A. “het nu reeds zeer moeilijk heeft met de houding van België inzake Irak” en “dat verdere incidenten de spreekwoordelijke druppel kunnen vormen die de emmer doet overlopen”. Dit argument onthult de essentie van het standpunt van verweerder, met name dat de transporten plaats vinden, niet omdat ze juridisch enige grondslag hebben, maar omdat de Belgische regering toegeeft aan de politieke en economische druk van de V.S.A.

Het argument van verweerder is bovendien vanuit juridisch oogpunt zwak en niet terzake. Met dit argument van politieke druk kan geen rekening worden gehouden, waar het gaat om een beoordeling van de rechten van partijen. Met dit argument wordt elke rechterlijke tussenkomst onmogelijk gemaakt, zelfs wanneer het gaat om een manifeste inbreuk op het nationale en internationale recht, dat dan inderdaad moet wijken voor politieke en economische belangen en druk.

 

45.  Concluanten vragen inderdaad dat verweerder verbod wordt opgelegd het akkoord van 1971 “na te leven”, omdat dit akkoord geen legale basis is voor de transporten. Een onherroepelijk gevolg kan niet afgeleid worden uit het sanctioneren door de rechtbank van een illegale praktijk.

 

 

&6. Belangenafweging

 

46.  Bij de belangenafweging mag het duidelijk zijn dat het hier gaat om ernstige rechtsschendingen die zaken van leven en dood, van gezondheid en blijvende trauma’s betreffen en de rechter is, wanneer de Belgische Staat haar verantwoordelijkheid terzake niet consequent neemt en integendeel illegaal handelt, de laatste toevlucht voor de burger.

 

47. Wat verweerder in essentie doet is het belang afwegen naar de partijen op zich, en niet vanuit de door partijen opgeworpen belangen. Het gewicht van de belangen moet worden afgewogen en niet het gewicht van de partijen. De stelling van verweerder volgen betekent dat geen enkele burger in feite nog een belang kan inroepen dat hoger is dan het staatsbelang, omdat de staat altijd zwaarder weegt dan “zes individuele eisers”.

 

 

 

&7. Beoordeling van de rechten van partijen

 

48.  Concluanten stellen dat de Belgische Staat een onrechtmatige daad begaat door het toelaten van de transporten over het Belgisch grondgebied. Het toelaten van de transporten betekent dat verweerder internationale en nationale rechtsnormen schendt of medeplichtig is aan haar schending, zodat haar civiele en/of delictuele aansprakelijkheid in het geding is. Deze fout of dit misdrijf maakt verweerder aansprakelijk voor de schade en/of het ernstig nadeel dat concluanten opwerpen. De kortgedingrechter is bevoegd deze rechtsschendingen en onregelmatigheden onmiddellijk te doen stopzetten.

Verweerder stelt dat de rechter zich ervan dient te vergewissen of de ingeroepen rechtsschendingen vaststaan. Verweerder stelt dat dit niet het geval zou zijn. Concluanten stellen dat dit overduidelijk wel het geval is en dat dit prima facie blijkt.

 

 

49.  Verweerder stelt dat de Belgische Staat geen fout kan verweten worden in de zin van artikel 1382 B.W. .

Het Hof van Cassatie heeft inderdaad in het arrest van 14 januari 2000, R.W. 2001-2002, p. 1096 gesteld dat de overheid een fout begaat wanneer zij een handeling stelt (of zich van een handeling onthoudt) “waarin zij ofwel een internationaalrechtelijke bepaling met directe werking in de interne rechtsorde schendt ofwel grondwettelijke of wettelijke regels schendt die haar verplichten niets te doen of op een welbepaalde wijze iets te doen, zodat zij burgerlijk aansprakelijk is ingeval die fout schade veroorzaakt”.

 

50.  Concluanten hebben de schending van het internationaal recht en van het nationaal recht door de Belgische staat ingeroepen.

Wat de internationaal rechtelijke normen betreft dient inderdaad te worden nagegaan of zij directe werking hebben in de interne rechtsorde. Dit is in betwisting voor wat betreft de kwestie van het geweldverbod/bezettingsverbod. Dit kan niet betwist worden voor wat betreft de andere ingeroepen internationale rechtsnormen.

 

A. Wat betreft de geschonden internationale rechtsnormen.

 

-Het geweldverbod of het volkenrechtelijk agressieverbod; de bezetting in het kader van een oorlog van een soeverein land Irak.

 

51.

 

51.a.  Zoals hoger gesteld is het geweldverbod en bezettingsverbod vervat in artikel 2, lid 4 van het Handvest van de V.N.:

“In hun internationale betrekkingen onthouden alle leden zich van bedreiging met of gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een staat, en van elke andere handelswijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Venerigde Naties”.

De twee uitzonderingen op deze regel (toestemming Veiligheidsraad en zelfverdediging) zijn niet van toepassing.

51.b. Verweerder stelt dat concluanten zich niet op het geweldverbod kunnen beroepen omdat die geen directe werking heeft in de interne Belgische rechtsorde.

 

51.c. Concluanten stellen dat zij beroep kunnen doen op het geweldverbod dat opgenomen is in artikel 2, lid 4 van het VN-Handvest.

De rechtstreekse werking ervan in de interne rechtsorde is ondermeer in Nederland aanvaard als een mogelijkheid:

“Bij deze stand van de jurisprudentie moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat onder omstandigheden aan het in het Handvest neergelegde verbod tot agressie en tot non-interventie rechstreekse werking wordt toegekend. Een argument hiervoor lijkt ook artikel 15 lid 2 EVRM te verschaffen, dat afwijking van artikel 2 EVRM niet toestaat behalve in geval van dood als gevolg van ‘onrechtmatige oorlogshandelingen’ “.

(Pres. Rb. Den Haag, van 7 april 1999, KG nummer 99/339 inzake Danikovic c.s. / Staat der Nederlanden).

Het is juist dat rechtspraak van andere Nederlandse rechtsinstanties een andere mening is toegedaan. Maar ook deze rechtspraak is aan evolutie onderhevig.

Artikel 2 van het Handvest richt zich niet alleen op de Leden van de VN, maar ook op de Organisatie van de Ver­enigde Naties als geheel en, blijkens de preambule van het Handvest – welke inge­volge het Weense Verdragenver­drag immers onlosmakelijk deel uitmaakt van het Verdrag als zodanig -, als het ware over de hoofden van de Leden en de Organi­satie heen, evenzeer op de Volken van de Verenigde Naties, van wiens vredeswil het Handvest een uit­drukkings­vorm is. Gelet op deze Preambule, ge­steld in de 'wij-vorm', is daarmee het Handvest dan ook eerder een document van de Volke­ren dan van de Staten van de Verenigde Na­ties.

Ook reeds daarom kan niet worden aangenomen dat artikel 2 lid 4 van dit Handvest zich alleen en uitsluitend tot Staten zou richten.

 

 

51.d. Wat echter niet betwistbaar is is dat het geweldverbod een volkenrechtelijke norm is van ius cogens (dwingend recht) en dat die alsdusdanig als een norm met interne werking dient aanvaard te worden.

Concluanten beroepen zich niet primair op artikel 2 lid 4 van het VN-Handvest, doch op de onderlig­gende volkenrechtelijk gewoonterechtelijke norm van dwin­gend recht (ius cogens), die als zodanig in Nederland ook uitdrukkelijk door het Gerechtshof Amsterdam wordt geïdentificeerd in het arrrest Dedovic / Kok, en welke voorts ook nog op een aantal andere plaatsen in het verdragsrecht tot uitdruk­king wordt gebracht, met name ook in het interventieverbod van artikel 3 Protocol II bij de Verdragen van Genève, welk Protocol natuurlijk rechtstreekse werking allerminst kan worden ontzegd.

Vervolgens moet nog worden benadrukt dat het feit dat het geweldsverbod een norm betreft van ius cogens, impliceert dat deze norm een universeel en abso­luut karakter draagt, geldt jegens alles en iedereen en ook door de rechter onder alle omstandigheden moet wor­den gehandhaafd, zodat ook om deze reden eenieder daar­op een beroep toekomt die als gevolg van agressie door enigerlei rechtssubject dat onder de jurisdictie van de rechter valt in persoon schade ondervindt of dreigt te ondervinden.

Het is ook een onderdeel van het gewoonterecht dat individuele personen voor schending van de gewoonterechtelijke norm van het geweldsverbod ook persoonlijk strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, zoals ook verdragsrechtelijk is vastgelegd in onder meer het Handvest van Neurenberg, het Statuut van het Joegoslavië Tribunaal, het Statuut van het Rwan­da Tribu­naal en het Statuut van het Internatio­naal St­raf­hof. Dit principe van individuele straf­rechte­lijke aansprakelijk­heid voor agressie als misdrijf kan uiteraard niet zon­der consequenties blijven naar ook andere rechtsinstanteis dan de (inter­nationa­le) strafrechter. Op re­chts­regels, voor de welker schen­ding personen een individuele strafrechtelijke aan­spra­ke­lijkheid hebben te dragen, komt immers diezelfde per­sonen vanzelfspre­kend ook een indi­vidueel beroep in rechte toe.

Dat het geweld/agressieverbod als dwingende norm van volkenrechtelijk gewoonterechtelijke aard rechtstreekse werking heeft blijkt ook uit het feit dat na WO II Japanse oorlogsmisdadigers wegens schending van het geweldverbod – gekwalificeerd als misdrijf tegen de vrede – zijn opgehangen. En iets waarvoor een individu de strop om de nek kan krijgen heeft onloochenbaar rechtstreekse werking. Als deze norm, zoals verweerder beweert, enkel een interstatelijke gedragsregel zou zijn, zou hij nooit opzichtens een individu kunnen worden toegepast.

 

51.e.  De International Law Commission van de Verenigde Naties acht het geweldverbod een norm van dwingend volkerenrecht. Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag heeft in het Nicaragua-arrest van 1986 (in een procedure tegen de V.S.A.) het verbod op interstatelijk geweldgebruik als een regel van internationaal gewoonterecht aanvaard.

 

51.f.  De verwijzing van verweerder naar de Cassatierechtspraak van 21 april 1983 en 11 mei 2001 is naar de mening van concluanten niet terzake. Die rechtspraak stelt dat om een verdrag of een protocol te kunnen toepassen vereist is dat de verdragsluitende partijen de bedoeling hadden de toekenning van subjectieve rechten en het opleggen van verplichtingen aan personen tot voorwerp te maken. In casu gaat het niet over toepassing van een verdrag maar om een historisch aanvaarde gewoonterechtelijke dwingende norm.

 

51.g.  Zeer recent hebben ongeveer 300 specialisten in Internationaal recht uit een vijftiental landen met betrekking tot de huidige Irak-oorlog een oproep ondertekend waarin gesteld wordt:

Punt 5: Het unilateraal uitroepen van een algemene oorlog tegen Irak met de hogervermelde rechtvaardigingen of voorwendsels betekent het verbreken van de vrede en een misdaad van agressie volgens de kwalificaties van het internationaal recht.  Deze misdaad doet niet alleen de verantwoordelijkheid ontstaan van de betrokken staten, maar ook van ieder individu dat vrijwillig en met kennis van zaken heeft deelgenomen aan de uitvoering ervan.

Punt 6: Iedere deelname aan een dergelijke oorlog aan de zijde van de Verenigde Staten, met in begrip van iedere hulp onder welke vorm ook aan de Verenigde Staten door regeringen van derde landen of van een regionale organisatie, betekent eveneens een schending van het principe van het geweldverbod.

Ook deze juristen aanvaarden het geweldverbod als een norm die van toepassing is op individuen en waarop individuen zich bijgevolg op hun beurt kunnen beroepen.

 

51.h.  De in de dagvaarding onder de punten 28 en 29 aangehaalde (en hier voor herhaald aanziene) argumenten met betrekking tot het handvest van het Internationaal militair tribunaal van Nuerenberg en met betrekking tot het tot stand komen van het Statuut van het Joegoslavië tribunaal bevestigen dat het geweldverbod een dwingende norm van internationaal volkerenrecht is.

 

51.i. Voor zover concluanten zich op het geweldverbod kunnen beroepen, kunnen zij dit dan ook opzichtens verweerder? Met andere woorden: maakt verweerder zich schuldig aan overtreding van het geweldverbod of is hij medeplichtig aan het overtreden ervan?

 

51.j.  Het Handvest van de Verenigde Naties definieert agressie – de misdaad van agressieve oorlogsvoering – niet rechtstreeks. In resolutie 3314 van de Algemene Vergadering aangenomen op 14 december 1974 wordt volgende definitie geformuleerd.

Artikel 1: « Agressie is het gebruik van de gewapende macht door een Staat tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere Staat of op enige andere manier die niet strookt met het Handvest van de Verenigde Naties zoals uiteengezet in deze definitie. »

Uit lezing van resolutie 3314 van de Algemene Vergadering van de UNO blijkt dat de medeplichtigheid aan een daad van agressie eveneens als agressie wordt gekwalificeerd. Meer bepaald gaat het om artikel 3 f.

Artikel 3: “Volgende daden zullen ongeacht er sprake is van een oorlogsverklaring gezien worden als een daad van agressie : … f) De daad van een Staat die toelaat dat haar grondgebied  ter beschikking wordt gesteld van een andere Staat om aan deze toe te laten een daad van agressie te stellen.

Gezien de Belgische Staat toelaat Amerikaans legermateriaal dat dienstig is voor de agressie van de V.S.A. en het V.K. tegen Irak over zijn grondgebied te vervoeren en mee instaat voor de veiligheid ervan, en zij toelaat dat vliegtuigen van het V.K. voor bombardementen in Irak gebruik maken van het Belgische luchtruim, pleegt zij overeenkomstig art. 3 f van resolutie 3314 zelf een daad van agressie.

 

51.k.  De overtreding van het geweldverbod kan nog steeds ingeroepen worden. De oorlogstoestand in Irak is nog steeds niet opgeheven en duurt mogelijk nog maanden. Het land is als gevolg van een illegale oorlog militair bezet door de legers van de V.S.A. en het V.K., wat ook de bezetting op zich in strijd stelt met het internationaal recht. Toen Irak in 1991 Koeweit heeft bezet werd dit algemeen aanvaard.

Bovendien omvat vermeld agressieverbod ook het verbod op illegale bezetting. Artikel 1 van resolutie 3314 van de algemene vergadering van de V.N. definieert inderdaad als agressie “elke gebruik van de gewapende macht door een Staat tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere staat”, zodat ook de gewapende bezetting die thans in Irak plaatsvindt hieronder valt. Het is duidelijk dat het gaat om een militaire bezetting en de hogervermelde te verwachten transporten van Amerikaanse troepen over het Belgische grondgebied bevestigen dat deze gewapende bezetting actueel is en implicaties heeft voor de Belgische Staat.

 

 

-Schending van de Internationale Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en van de Aanvullende Protocols I en II bij die Verdragen en van de Belgische wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van de ernstige inbreuken op (Belgische genocidewet) die bepalingen van vermelde bedragen in de Belgische strafrechtsorde invoegt.

 

52.a.  Verweerder stelt dat niet goed valt in te zien hoe het feit dat de Belgische regering toelaat dat militaire transporten door de VS over het nationale grondgebied een strafrechterlijke aansprakelijkheid met zich zou kunnen meebrengen op grond van de wet van, 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige inbreuken op het internationaal humanitair recht.

De wet beteugelt de  "hierna omschreven ernstige misdrijven welke door handelingen of nalatigheden schade toebrengen aan personen en goederen die beschermd zijn door de Verdragen, ondertekend te Genève op 12 augustus 1949 en goedgekeurd bij de wet van 3 september 1952, en door het Eerste en het Tweede Aanvullend Protocol bij die Verdragen, aangenomen te Genève op 8 juni 1977 en goedgekeurd bij de wet van 16 april 1986, zijn internationaal-rechtelijke misdaden en worden overeenkomstig de bepalingen van deze wet bestraft, onverminderd de strafbepalingen die van toepassing zijn op de andere overtredingen van de in deze wet bedoelde overeenkomsten en onverminderd de strafbepalingen die van toepassing zijn op de uit nalatigheid gepleegde misdrijven :

1° de opzettelijke doodslag;…
3° het moedwillig veroorzaken van hevig lijden, of toebrengen van ernstig lichamelijk letsel dan wel van ernstige schade aan de gezondheid; …

8° de vernieling en de toeëigening van goederen, niet gerechtvaardigd door militaire noodzaak zoals aanvaard in het volkenrecht en uitgevoerd op grote schaal en op onrechtmatige en moedwillige wijze;
9° de onrechtmatige handelingen en nalatigheden die de gezondheid en de lichamelijke of geestelijke integriteit van de personen die beschermd worden door een van de Verdragen betreffende de bescherming van de gewonden, de zieken en de schipbreukelingen, in gevaar kunnen brengen, in het bijzonder alle geneeskundige handelingen die niet gerechtvaardigd zijn door de gezondheidstoestand van die personen of niet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde geneeskundige normen; …

11° het aanvallen van de burgerbevolking of individuele burgers;
12° het uitvoeren van een niet-onderscheidende aanval waardoor de burgerbevolking of goederen van burgerlijke aard worden getroffen, in de wetenschap dat een zodanige aanval verliezen aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard zal veroorzaken, in een mate die buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel, onverminderd de misdadige aard van de aanval waarvan de schadelijke gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het te verwachten militaire voordeel, onverenigbaar zouden zijn met de beginselen van het internationaal recht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn;
13° het uitvoeren van een aanval op werken of installaties die gevaarlijke krachten bevatten, in de wetenschap dat een zodanige aanval verliezen aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard zal veroorzaken, in een mate die buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel, onverminderd de misdadige aard van de aanval waarvan de schadelijke gevolgen, zelfs in evenredigheid tot het te verwachten militaire voordeel, onverenigbaar zouden zijn met de beginselen van het internationaal recht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn; …

20° het aanvallen van duidelijk als zodanig herkenbare historische monumenten, kunstwerken of plaatsen van eredienst die het culturele of geestelijke erfdeel van de volkeren vormen en waaraan bijzondere bescherming is verleend door een speciale regeling wanneer er geen bewijs bestaat van schending door de tegenpartij van het verbod die goederen te gebruiken om het militaire optreden te ondersteunen, en wanneer die goederen niet in de onmiddellijke nabijheid van militaire doelen zijn gelegen.
De onder 11°, 12°, 13°, 14°, 15° en 16° genoemde feiten worden als ernstige misdrijven, als in dit artikel omschreven, beschouwd, op voorwaarde dat ze de dood of ernstig lichamelijk letsel met zich brengen dan wel de gezondheid van een of meer personen in ernstige mate benadelen."

52.b.  Eerst en vooral bestaan er aanwijzingen, getuigenissen enz. dat dergelijke inbreuken weldegelijk gepleegd werden door de VS-troepen in Irak

Amnesty International maakt melding van aanvallen op burgerbevolking. (inbreuken op art. 1 §3 11° en 12°).  Veertien Irakese burgers  werden gedood en 30 werden gewond in Bagdad op 25 maart 2002 wanneer twee raketten insloegen in een commerciële wijk terwijl militaire doelwitten honderden meter verwijderd waren van de plaats [1]

Op 28 maart vonden 55 Irakis de dood bij een aanval op de markt van het Shula district in Bagdad. Eerste concluant stond mee in voor de opvang van de slachtoffers.

Hoewel het commando van de VS troepen oorspronkelijk tegensprak of minstens in twijfel trok dat het om een inslag van een Amerikaans wapen zou gaan, berichtte de onafhankelijke journalist Robert Fisk in The Independent van 2 april een onderdeel van de bom te hebben gevonden en te hebben vastgesteld dat die onmiskenbaar van Amerikaanse makelij was.

In verband met de gebeurtenissen in Nassiriya schreef een ooggetuige dat Amerikaanse troepen met machinegeweren vuurden op burgervoertuigen. [2]

Ook bij het binnentrekken van Bagdad schoten Amerikaanse troepen talloze burgers dood. [3]

Op verschillende plaatsen werd gebruik gemaakt van clusterbommen. [4] Hoewel deze wapens in se niet verboden zijn is het duidelijk dat hun gebruik in gebieden waar een burgerbevolking geïnstalleerd is het wel om een oorlogsmisdaad gaat (inbreuk op art. 1 § 3 12°)

Amnesty International maakt ook melding van het feit dat de VS troepen de systematische plunderingen van private eigendommen en officiële gebouwen niet hebben verhinderd zelfs wanneer zij daartoe de gelegenheid hadden. [5] (Inbreuken op art. 1 § 3 8°)

Hospitalen bleven niet gespaard van de plunderingen terwijl VS troepen toekeken. (inbreuk op art. 1 § 3 9 °) In bepaalde gevallen werden hospitalen zelfs gebombardeerd. [6]

Tijdens deze plunderingen werden patiëntes verkracht volgens een verslag van het Rode Kruis. [7]

 

 

52.c.  Niet alleen het plegen van oorlogsmisdaden wordt bestraft maar ook het verzuim ertegen op te treden.

Art. 1 § 3 van de wet voorziet dat  "handelingen of nalatigheden" in aanmerking komen voor bestraffing.

Art. 4 van de wet bepaalt eveneens dat:

"Art. 4. Met de op het voltooide misdrijf gestelde straf worden gestraft :

 het verzuim gebruik te maken van de mogelijkheid tot handelen vanwege zij die kennis hebben van bevelen, gegeven met het oog op de uitvoering van een dergelijk misdrijf of van feiten die een begin van uitvoering hiervan vormen, ofschoon zij de voltooiing ervan konden verhinderen of konden doen ophouden, …."

Art. 4 stelt een bijzondere vorm van schuldig verzuim in. Verweerder stelt in zijn besluiten dat deze bepaling alleen militaire meerderen viseert. Indien dit voorbeeld inderdaad ontwikkeld werd tijdens de parlementaire debatten blijkt geenszins uit de tekst (of de voorbereidende werken) dat het de bedoeling zou geweest zijn de toepassing van deze bepaling tot die categorie van personen te beperken.

 

52.d.  Tenslotte voert verweerder zeer merkwaardiger wijze aan dat het bekend is dat de Belgische Staat "alle mogelijke diplomatieke en politieke mogelijkheden in het werk heeft gesteld om te trachten de militaire operaties te voorkomen."

Er is evenwel één ding dat verweerder nagelaten heeft te doen en wat ongetwijfeld meer ingrijpende gevolgen zou gehad hebben dan de politieke en diplomatieke inspanningen die de Belgische regering gedaan heeft: namelijk de logistieke steun onder de vorm van het ter beschikking stellen van infrastructuur zoals havens, spoorwegen en luchthavens weigeren voor het vervoer van troepen en materiaal bestemd voor de agressie tegen Irak.

Zoals uit bovenstaande uiteenzetting blijkt zijn er zeer ernstige aanwijzingen dat de VS-troepen zich schuldig hebben gemaakt aan verschillende vormen van oorlogsmisdaden.

De eerste rapporten hieromtrent verschenen in de pers eind maart. Het eerste Amnesty International rapport dateert van 8 april 2003.

Minstens op dat moment had verweerster onmiddellijk elke logistieke steun aan de VS-troepen moeten stopzetten nu er ernstige aanwijzigen bestonden dat zij door haar logistieke steun zich medeplichtig maakte, door schuldig verzuim, aan de oorlogsmisdaden begaan door de troepen en met het militair materiaal dat via het Belgisch grondgebied verscheept werd.

 

52.e.  De vordering is zeker nog actueel. Nog bijna dagelijks worden schendingen van het internationaal humanitair recht aan het licht gebracht.

Op 15 april 2003 werden nog minstens 7 Iraakse burgers omgebracht door de VS-troepen in de stad Mosul. [8]

De vordering heeft dus geenszins aan actualiteit ingeboet zelfs indien de natuur van de daden gepleegd door de VS-troepen evolueert.

 

53.  Verweerder stelt dat hij niet inziet hoe de Belgische Staat zich aan de schending ervan zou schuldig gemaakt hebben, dat het voor eenieder duidelijk is dat hij hier niets mee te maken heeft en dat er van aanzet of deelneming in strafrechtelijke zin in de verste verte geen sprake is.

De massale transporten van militair materiaal en personeel over het Belgisch grondgebied en door het Belgische luchtruim hebben bijgedragen tot en dragen nog steeds bij tot de oorlog en bezetting van Irak.

Verweerder minimaliseert haar verantwoordelijkheid door te stellen dat zonder de transporten de situatie in Irak zich immers precies zou hebben voorgedaan zoals in casu. Dit is evident onjuist. Anders zouden deze transporten volkomen zinloos geweest zijn. Er is massaal militair materiaal (pantservoertuigen, helicopters, transportvoertuigen, militairen …) van de V.S.A. via het Belgische grondgebied, de zee- en luchthavens afgevoerd naar Irak en het is het licht van de zon ontkennen dat deze niet hebben bijgedragen en nog steeds bijdragen tot de bezetting van Irak. Ook de te verwachten militaire transporten zullen er toe bijdragen.

Zoals hoger vermeld volstaat het trouwens dat de transporten “dienstig” kunnen zijn voor vermelde agressie, oorlog en bezetting, wat in casu alleszins overduidelijk het geval is.

De medeplichtigheid van de Belgische Staat staat vast.

 

 

-Schending van de bepalingen van het Internationaal verdrag van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) van 19 december 1966, B.S. 6 juli 1983 en van het Europees verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

 

54.  Concluanten stellen dat volgende artikels van het BUPO overtreden worden door het toelaten van transporten van materiaal bestemd voor de oorlog in Irak over het Belgische grondgebied en door het Belgische luchtruim.

De oorlog en de transporten schenden de volgende basisrechten van concluanten.

BUPO:

Artikel 1.1: Alle volken bezitten het zelfbeschikingsrecht. Uit hoofde van dit recht bepalen zij in alle vrijheid hun politieke status en streven zij vrijelijk hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na.

Artikel 1.3. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag … bevorderen de verwezenlijking van het zelfbeschikkingsrecht en eerbiedigen dit recht overeenkomstig de bepalingen van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel 6.1.: Een ieder bezit een inherent recht op het leven. …

Artikel 6.3: Wanneer de beroving van het leven het misdrijf genocide inhoudt is het wel te verstaan dat geen enkele bepaling van dit artikel een Staat die partij is bij dit Verdrag de bevoegdheid geeft af te wijken van enigerlei verplichting die is aanvaard krachtens de bepalingen van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide.

Artikel 7: Niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. …

Artikel 20.1: Alle oorlogspropaganda is bij wet verboden.

EVRM:

Artikel 2.1: Het recht van eenieder op het leven wordt beschermd door de wet.

Artikel 3: Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.

Artikel 5: Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid.

 

55.  Verweerder stelt dat wat concluanten aanhalen buitengewoon vergezocht en zelfs op het tergende af is, omdat de Belgische staat zich sterk heeft ingezet om tot een diplomatieke en vreedzame oplossing van het geschil te komen. De politieke standpunten van de Belgische Staat terzake beletten niet dat in alle objectiviteit het toelaten van de transporten als een concrete bijdrage aan de agressie en bezetting dient beschouwd te worden, met de gevolgen vandien  voor wat betreft de schending van de hoger geciteerde mensenrechten.

 

 

B. Wat betreft de schending van de Belgische rechtsnormen.

 

 

-Geen wettelijke grondslag in de Belgische wet voor de militaire transporten over het Belgische grondgebied. Schending van artikel 185 van de Grondwet, schending van de wet van 11 april 1962, en ondergeschikt, schending van het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971.

 

 

56.  Ondanks het feit dat het duidelijk is dat de Belgische regering om politieke redenen de transporten toelaat (zie pagina 20 alinea 4 en 5) en het duidelijk is dat de juridische grondslag ervoor ontbreekt tracht verweerder tegen beter weten in met een juridisch artificiële constructie te argumenteren dat de transporten juridisch niet onrechtmatig zijn doch de uitvoering van een internationaalrechtelijke verplichting.

Een juridische analyse maakt duidelijk dat er geen legale basis is voor de transporten.

57.  Art 185 van de Grondwet stelt :

“Vreemde troepen mogen niet dan krachtens een wet tot de dienst van de Staat worden toegelaten, het grondgebied bezetten of er doorheen trekken.”

Hieruit dient afgeleid te worden dat de Koning zelf geen toelating kan geven om vreemde troepen of in casu militaire transporten toe te laten.

 

58.  De Belgische wet die “de doortocht en het verblijf in België toelaat van de troepen van de met België door het Noord-Atlantisch Verdrag verbonden landen” van 11 april 1962, B.S. 20 april 1962, bepaalt in zijn enig artikel:

“De troepen van Staten met België door het Noord Atlantisch Verdrag verbonden mogen het nationaal grondgebied doortrekken of er gestationeerd zijn binnen de grenzen en onder de voorwaarden voor elk geval vastgesteld in met de betrokken regeringen te sluiten uitvoeringsakkoorden”.

De wet van 11.04.1962 laat de regering niet toe uitvoeringsakkoorden te sluiten en uit te voeren anders dan in het kader van het NAVO-Verdrag van 4 april 1949.

 

59.  De Belgische eerste minister verklaarde op 17 januari 2003 tijdens het actualiteitsdebat in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers dat de transporten plaatsvonden in het kader van een bilateraal akkoord (Host Nation Support Agreement), dat op 19 juli  1971 tussen België en de V.S.A. werd gesloten op basis van de wet van 11 april 1962.

In de memorie van toelichting bij deze wet (Parlementaire stukken, 646, 1959-1960) verwijzen de destijds bevoegde ministers uitdrukkelijk naar artikel 3 van het NAVO-Verdrag. In dit artikel 3 (dat letterlijk in de memorie van toelichting wordt overgenomen) wordt gesteld dat “de Verdragsluitende Partijen, ieder voor zich en tezamen, haar individueel en collectief vermogen om een gewapende aanval te weerstaan zullen handhaven en ontwikkelen, door voortdurend en op doelmatige wijze zich zelf te versterken en elkander hulp te verlenen.”

Uit het bovenstaand dient dan ook afgeleid worden dat het uitvoeringsakkoord dat afgesloten werd (Host Nation Support Agreement) gezien dient te worden ter uitvoering van art. 3 van het NAVO-Verdrag.

 

60. Concluanten verwijzen naar en sluiten zich aan bij “Note sur le Traité secret conclu entre la Belgique et les Etats-Unis en 1971” opgesteld door drie professoren internationaal recht aan de ULB met name Olivier Corten, Eric David, Jean Salmon en Pierre Klein. Deze nota die hier voor herhaald aanzien wordt stelt op basis van een uitvoerige juridische argumentatie dat de keuze van de Belgische regering om de transporten toe te laten een politieke keuze is, en in geen enkele mate een juridische verplichting. Zij hebben de nota gemaakt na het publiek worden van het ‘geheim’ akkoord van 1971.

 

62. De argumenten van vermelde professoren kunnen alsvolgt worden samengevat:

 

1.  De militaire operaties tegen Irak vallen buiten het toepassingsveld van het verdrag van 1971 omdat zij gevoerd worden buiten het kader van de Navo.

-Het billateraal akkoord van 1971 schrijft zich in in het kader van de Navo. Het objectief van het verdrag is de V.S.A. toe te laten troepen te verplaatsen met het oog op militaire acties conform het Navo-verdrag.

-Het verdrag voorziet het activeren van communicatielijnen in geval van “internationale spanning”, die het gevolg is van een verklaring van de Supreme Allied Commander, Europa van de Navo. Dit type verklaring verplicht de Navo-landen elkaar te consulteren om inzonderheid de verplichtingen van artikel 5 van het Navo-verdrag in werking te stellen. Bijgevolg is het in werking treden van het verdrag van 1971 direct onderworpen aan institutionele mechanismen eigen aan de Navo.

-Het akkoord van 1971 is in 1994 herzien om de V.S.A. toe te laten deel te nemen aan Uno-operaties. Dit leidt tot twee conclusies: het akkoord van 1971 is strikt beperkt tot het Navo-kader; de uitbreiding tot acties in Uno-kader sluit de toepassing van het verdrag uit voor acties die buiten het Uno-kader worden gevoerd.

-Verweerder heeft zelf verwezen naar artikel 5 (internationale spanning) wat maakt dat hijzelf het verdrag van 1971 binnen het Navo-kader plaatst.

-Maar artikel 5 in verband met wettige verdediging heeft niets te zien met de militaire operatie in Irak. Geen enkele Navo-staat is voorwerp geweest van agressie door Irak.

-De operatie tegen Irak kan evenmin geassimileerd worden aan wat genoemd worden “operaties artikel 5”.

-Het verdrag van 1971 is beperkt tot militaire operaties conform het charter van de Navo of onder leiding van de Uno. In het geval van de oorlog tegen Irak is het niet van toepassing. Zelfs als men zou oordelen dat het toch van toepassing kan zijn, dan nog is het ondergeschikt aan het Charter van de V.N. en kan het niet geïnterpreteerd worden als een toelating om deel te nemen aan de agressie van de V.S.A. tegen Irak.

 

2.  Het verdrag van 1971 kan in geen geval geïnterpreteerd worden als een toelating om het Handvest van de V.N. te schenden.

-De immense meerderheid van specialisten internationaal recht beschouwen de oorlog tegen Irak als onverzoenbaar met het V.N. Handvest. In toepassing van dit Handvest heeft België de verplichting geen hulp te bieden aan een staat die een agressie pleegt. In toepassing van artikel 103 het het handvest moet deze verplichting voorrang hebben op elk ander internationaal akkoord.

-Niets in het verdrag van 1971 doet afbreuk aan het kader van de V.N. , integendeel het Navo-verdrag verklaart zich ondergeschikt aan het V.N.-handvest. Het verdrag van 1971 moet geïnterpreteerd worden conform het Navo-verdrag en dit laatste conform het V.N.-handvest. Elke interpretatie dat België een agressor zou moeten steunen moet verworpen worden.

 

3.  Het verdrag van 1971 kan geen toelating geven tot het overvliegen van het Belgische luchtruim. België kan dit toelaten of weigeren.

 

 

63.  Ook het feit dat de ministers Michel en Flahaut op de RTBF verklaarden dat er geen transporten meer zouden plaatsvinden via België, maar enkele dagen later na tussenkomst van de Eerste Minister op dit standpunt terugkwamen, bevestigt dat het om een politieke keuze gaat.

 

64.  Het akkoord van 1971 kan niet geinterpreteerd worden als een toelating om het Handvest van de VN te schenden. Zoals hoger gesteld is de oorlog van de V.S.A. en het V.K. een agressie die niet verenigbaar is met artikels 2&3 en 2&4 van het VN-handvest. Het is dan ook voor de hand liggend dat België de verplichting heeft geen hulp of bijstand te verlenen aan een land dat een agressie pleegt. Het Handvest heeft conform haar artikel 103 voorrang op ieder ander internationaal akkoord. De hogere rechtsnorm mag niet geschonden worden in naam van een lagere rechtsnorm.

De eerste inleidende zin van het NAVO-verdrag bepaalt immers:

“De partijen bij dit Verdrag bevestigen opnieuw hun vertrouwen in de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en hun wens om in vrede te leven met alle volkeren en alle regeringen”.

Artikel 1 van het NAVO-verdrag bepaalt:

“De partijen verbinden zich ertoe om, zoals uiteengezet in het Handvest van de Verenigde Naties, alle internationale geschillen waarin zij mochten worden gewikkeld met vreedzame middelen te beslechten op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en gerechtigeheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties”.

Artikel 7 van het NAVO-verdrag bepaalt:

“Dit verdrag heeft geen invloed, en mag niet worden uitgelegd als hebbende enige invloed op de rechten en verplichtingen ingevolge het Handvest van partijen die lid zijn van de Verenigde Naties, noch op de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad voor de handhaving van internationale vrede en veiligheid.”

Artikel 8 van het NAVO-verdrag stelt tenslotte:

“Elk der partijen … verplicht zich geen enkele internationale verbintenis aan te gaan die strijdig is met dit Verdrag.”

Het NAVO-verdrag verklaart zich ondergeschikt aan het Handvest van de Verenigde Naties.

 

65.  Het NAVO-akkoord is volgens haar definitie bovendien een verdedigingspact en geen aanvalspact. Ook om die reden is het in casu niet van toepassing.

 

66.  Het akkoord van 1971 is verder enkel van toepassing op NAVO-operaties.  In de preambule wordt gesteld: “… which is to ensure logistic support of the American forces stationed in the central region of the Allied Command in Europe … for the purpose of achieving the objectives of the North Altlantic Treaty.”  (Vrije vertaling: … dat bedoeld is om de logistieke ondersteuning van de Amerikaanse troepen gestationeerd in de centrale regio van het geallieerde commando in Europa te verzekeren).

De oorlog in Irak is geen NAVO-objectief. Diverse NAVO-landen waaronder België zijn er zelfs duidelijk tegenstander van.

Reeds om die reden kan dan ook geen toepassing gemaakt worden van het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971, daar de Belgische wet van 11 april 1962, die de basis is voor het uitvoeringsakkoord, werd gestemd in het kader van het NAVO-verdrag. Vermelde oorlog gaat bijgevolg het kader van het akkoord te buiten.

 

67.  Artikel 3 van het NAVO-verdrag plaatst bovendien de wederzijdse hulpverlening (in casu de transporten) in het kader van het “handhaven van het vermogen om een gewapende aanval te weerstaan”. Er is geen sprake van een gewapende aanval tegen de V.S.A. of tegen het V.K..

Het NAVO-verdrag zelf maakt duidelijk dat de Belgische wet van 11 april 1962, en bijgevolg ook het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971 niet van toepassing zijn in de huidige situatie. Wat meer is: in de actuele situatie zou de toepassing ervan precies betekenen dat het NAVO-verdrag zelf waaruit de wet en het akkoord voortvloeien geschonden wordt.

 

68.  In het actualiteitsdebat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers stelt de Belgische eerste Minister dat “volgens het akkoord van 19 juli 1971 de VS in tijden van spanning gemachtigd zijn om een communicatielijn te activeren om materiaal te transporteren, zoals zij op 29 januari 2003 hebben gedaan.” Het begrip “tijden van spanning” vindt geen enkele grondslag in het NAVO-verdrag en bijgevolg evenmin in de wet van 11 april 1962, die een uitvloeisel is van het NAVO-verdrag, alleszins niet van artikel 3 van het verdrag.

Voor zover de Belgische regering refereert naar “de periode van spanning waarin wij ons, aldus de NAVO, bevinden sinds 12 september 2001” (premier Verhofstadt tijdens kamerdebat van 17 maart 2003) blijkbaar met verwijzing naar artikel 5 van het NAVO-verdrag, wordt opgemerkt dat dit in casu evenmin van toepassing is. De op zich reeds zeer betwistbare toepassing van artikel 5 van het NAVO-verdrag (het is betwistbaar dat de aanslagen op het WTC en Pentagon van 11 september 2001 te kwalificeren zijn als een gewapende aanval tegen een land dat lid is van de NAVO), kan niet uitgebreid worden tot de oorlog van twee NAVO-landen tegen Irak, waar er geen band tussen Al Quada en Irak is aangetoond. Er is geen aanval van Irak tegen een land dat lid is van de NAVO. Een vermeende aanval van een derde (terreurorganisatie) kan niet als rechtvaardiging dienen voor het inroepen van artikel 5 van het NAVO-verdrag in het kader van de oorlog tegen Irak.

De professoren Corten, David, Salmon en Klein wijzen in hun nota nog op de zeer tegenstrijdige verklaringen die de diverse ministers van de Belgische regering gaven over het al of niet inroepen van het begrip “periode van spanning” .

 

69.  Het is verder betwistbaar dat de wet van 11 april 1962 het sluiten van een dergelijk algemeen en lang in de tijd lopend uitvoeringsakkoord toelaat. In de wet wordt het uitvoeringsakkoord voor doortrekken en stationeren van troepen voorzien “binnen de grenzen en onder de voorwaarden voor elk geval vastgesteld”. Dit wijst er op dat er geval per geval een uitvoeringsakkoord dient gesloten te worden. In de memorie van toelichting wordt dit bevestigd: “Op grond van de voorgestelde tekst verleent de wet de toelating tot verblijf en doortocht aan de troepen van de landen, verbonden met België door het Noord-Atlantisch verdrag, maar de grenzen en de voorwaarden van iedere doortocht zullen voor elk geval worden vastgesteld in akkoorden af te sluiten met de betrokken landen”.

Het akkoord zou herzien zijn in 1994 om de Amerikaanse troepen toe te laten in het kader van UNO-operaties deel te nemen. Terecht merken vermelde professoren op dat dit betekent dat het akkoord van 1971 beperkt was tot het strikte NAVO-kader, en anderzijds dat een uitbreiding enkel mogelijk is in het kader van UNO-operaties. Zodat het dus evident is dat het akkoord niet van toepassing is als landen een oorlog voeren buiten het kader van de NAVO of de UNO.

 

 

70.  Verweerder stelt op pagina 27-28 van de besluiten dat het verdrag van 1971 aan de V.S.A. toelaat vrij te beslissen troepen via Belgisch grondgebied te laten passeren en ze aan te wenden. Dergelijke interpretatie zou er toe leiden dat wanneer de V.S.A. bijvoorbeeld Nederland zou willen aanvallen België de transporten over haar grondgebied gewoonweg zou moeten toelaten. Dit voorbeeld illustreert hoe verregaand de interpretatie van verweerder is.

 

71.  Bovendien kunnen bij het inmiddels publiek gemaakte akkoord nog volgende opmerkingen worden gemaakt.

 

71.a.  Het akkoord heeft duidelijk betrekking op de logistieke ondersteuning van Amerikaanse troepen in Duitsland en niet op het transport naar een land als Irak. In de preambule wordt gesteld: “… which is to ensure the logistic support of the American forces stationed in the central region of the Allied Command in Europe…”. (vrije vertaling: de verzekering van de logistieke ondersteuning van de Amerikaanse troepen gestationeerd in de centrale regio van het geallieerd commando in Europa).

Dit wordt bevestigd door artikel 5 van het akkoord: “… the Belgian Government will provide the Governement of the United States of America with the services necessary for debarkation, transshipment, reception and transit of troops, materiel, equipment and supplies to or from the central region of the Allied Command in Europe”. (vrije vertaling: “De Belgische regering zal de regering van de V.S.A. voorzien van de diensten noodzakelijk voor ontscheping, doorscheping, ontvangst en transit van troepen, materiaal, uitrusting en toebehoren naar of van de centrale regio van het geallieerd commando in Europa”.)

 

71.b.  België behoudt in alle omstandigheden de volledige soevereiniteit over het grondgebied. Dit blijkt uit artikel 8, 1: “In all circumstances, essential Belgian requirements (civilian and military) shall take priority over allied requirements of every type. The Belgian Government remains the only judge of exceptions which critical circumstances may justify.” (Vrije vertaling: “In alle omstandigheden zullen essentiële Belgische behoeften (burgerlijk en militair) voorrang hebben op geallieerde behoeften van welk type ook. De Belgische regering blijft de enige rechter met betrekking tot uitzonderingen die in cruciale omstandigheden gerechtvaardigd zijn”.)

Het kan moeilijk betwist worden dat de illegaliteit van deze oorlog tegen Irak en het feit dat België zich  medeplichtig maakt aan agressie, misdaden tegen de vrede en oorlogsmisdaden begaan door de V.S. en het V.K. in Irak als een ‘critical circumstance’ kan beschouwd worden. Reeds om die reden kan België op basis van artikel 8 beslissen het akkoord niet uit te voeren.

 

71.c. Tenslotte kan België op basis van artikel 14 een betwisting over de interpretatie van het akkoord onderwerpen aan een overleg met de Amerikaanse minister van Defensie. Van deze geschillenprocedure is blijkbaar geen gebruik gemaakt.

 

71.d.  Het uitvoeringsakkoord dat als ‘geheim’ is geklasseerd, kan ook nog om volgende reden geen toepassing vinden in de Belgische rechtsorde (zie Jan Wouters, Godelieve Craenen en Dries Van Eeckhoutte, respectievelijk hoogleraren en wetenschappelijk medewerker aan de faculteit rechtsgeleerdheid van de K.U.Leuven, Militaire transporten en geheime akkoorden, zie stuk).

Sedert het einde van de Eerste Wereldoorlog bestaat in de internationale gemeenschap de consensus dat het sluiten van Verdragen in volledige openheid en transparantie moet gebeuren. De afschuw en de verontwaardiging die tijdens en na de oorlog waren ontstaan door de ontdekking van verschillende geheime akkoorden, liggen  mede aan de grondslag van de bepaling in het Handvest van de Verenigde Naties die alle leden ven de VN ertoe verplicht “elk verdrag en elke internationale overeenkomst” bij de VN te registreren. Het VN secretariaat zorgt dan voor de publicatie. Aan de niet publicatie kleeft als sanctie dat een partij bij zulk verdrag zich niet ten aanzien enig orgaan van de VN – bijvoorbeeld het  Internationaal Gerechtshof - op dat verdrag of die overeenkomst mag beroepen (art. 102 VN-Handvest). Deze verplichting werd bovendien herbevestigd in artikel 80 van het Weens Verdrag van 23 mei 1969 over Verdragsrecht, waarbij België eveneens partij is.

Het bilateraal akkoord van 1971 – volkenrechtelijk zonder meer een verdrag – is nooit bij de VN geregistreerd.

 

71.e.  Sinds 1993 vereist artikel 167 van de Belgische Grondwet dat alle door België afgesloten verdragen aan het parlement ter instemming worden voorgelegd, zoniet hebben ze geen gevolg. Bij gebreke hiervan kan een verdrag geen gevolg hebben in de Belgische rechtsorde. Ook het oude artikel 68, 2de lid van de Grondwet bepaalde dat “verdragen die de Staat zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, eerst gevolg hebben nadat zij de instemming van de Kamers hebben gekregen”. Er kan dus worden gesteld dat het akkoord van 1971 op zich geen gevolg heeft noch voor de Belgische Staat noch voor individuen die de transporten zouden moeten uitvoeren. (Cassatie 11 december 1953, Arr. Verbr. 1954, 252, Pas. 1954, I, 298.:”Om de Belgen individueel te binden moet een verdrag niet enkel door het Parlement goedgekeurd zijn maar ook in het Staatsblad bekendgemaakt zijn; Cassatie 25 november 1955, Arr. Verbr. 1956, 234: “De regel van artikel 68, tweede lid, geldt ook voor internationale overeenkomsten die niet de vorm van een verdrag hebben aangenomen.”)

 

71. f.  Tenslotte dient opgemerkt dat het parlementaire controlerecht wat een basisbeginsel is in de parlementaire democratie met de voeten getreden wordt. Het Parlement kan immers op geen enkel wijze controleren over welke uitvoeringsakkoorden het gaat en of het wel om een uitvoeringsakkoord gaat in de zin van de wet van 11 april1962. Immers de akkoorden werden niet aan de parlementsleden voorgelegd hoewel de toenmalige minister van buitenlandse zaken Paul-Henri Spaak in de Senaat gesteld had dat alle uitvoeringsakkoorden van de wet van 11 april 1962 aan de Kamers zouden getoond worden. (Handelingen Senaat, 1961-62, p.749).

Daar het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971 niet officieel gepubliceerd werd is het betwistbaar dat dit akkoord in de huidige situatie van de oorlog met Irak toelaat wat de regering stelt dat het toelaat. De inhoud ervan is niet officieel bekend.

 

72.  Concluanten zijn dan ook van mening dat de Belgische Staat zich ter rechtvaardiging van de transporten niet kan beroepen op het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971, noch op de wet van 11 april 1962. Alleszins zijn de bepalingen van dit akkoord en van deze wet ondergeschikt aan de in de huidige situatie ermee strijdige norm van het NAVO-verdrag en met de nog hogere norm van het VN-Handvest.

 

 

-Meer in het algemeen, inbreuken op de Belgische strafwet.

 

73. Diverse bepalingen van de Belgische strafwet zijn van toepassing ondermeer de artikels van titel VIII  en titel IX van Boek II van het strafwetboek met name misdaden en wanbedrijven tegen personen en tegen eigendommen en inzonderheid  de artikels 392-417, 418-422ter, 510-537. Conform de artikels 66-69 is de verantwoordelijkheid van de personen die verantwoordelijk zijn voor het niet tegenhouden van de transporten betrokken.

 

 

 

 

 

§8. De gevorderde maatregelen

 

 

74. Verweerder stelt ten onrechte dat de door concluanten gevorderde maatregelen dermate ruim zijn dat ze zelfs humanitaire hulp kunnen omvatten. Een goede lezing van wat gevraagd wordt laat dergelijke interpretatie niet toe. Concluanten stellen uitdrukkelijk dat het gaat om militair materiaal …dat “direkt of indirekt bestemd is voor de oorlogsvoering”. Tenzij verweerder ook in de humanitaire hulp van de V.S.A. en het V.K. een vorm van oorlogsvoering ziet, kan de formulering geen aanleiding tot onduidelijkheid geven.

Ook materiaal bestemd voor Kosovo of Bosnie-Herzegovina kan bij een goede lezing van wat gevraagd wordt niet onder de maatregel vallen. Het gaat over oorlogsvoering tegen … Irak.

Het gevraagde kan bijgevolg perfect worden nageleefd door verweerder.

 

75. Concluanten specifieren dat zij de gevraagde maatregel ook uitbreiden tot materiaal bestemd voor de militaire bezetting van Irak, zoals blijkt uit het beschikkend gedeelte.

 

76. Wat betreft het medelen van akkoorden.

Het belang van concluanten bestaat erin dat zij recht hebben kennis te krijgen van alle geheime akkoorden die invloed hebben op de door hen gewraakte transporten en er volgens verweerder een juridische grondslag aan geven. In de pers en ook in de nota van de professoren van de ULB wordt melding gemaakt van enerzijds de herziening in 1994 en op andere data van het akkoord van 1971 en van akkoorden die rechtstreeks tussen Belgische en V.S.A.-militairen zijn gesloten.

Dit verzoek is in die zin hoogdringend dat de kwestie van de transporten zich nog steeds stelt.

De verwijzing naar de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur is nogal merkwaardig, waar het gaat om zogenaamd geheime akkoorden. Bij weten van concluanten heeft vermelde wet betrekking op bestuursdocumenten die in de regel openbaar zijn.

 

 

OM DEZE REDENEN

 

BEHAGE HET DE VOORZITTER,

 

 

De vordering toelaatbaar en gegrond te horen verklaren ;

 

Bijgevolg aan verweerder verbod op te leggen om zolang de oorlogssituatie in Irak en de bezetting van Irak niet zijn beëindigd, minstens voor een periode van drie maanden ingaand op de datum van de tussen te komen beschikking, het Belgische grondgebied, de Belgische lucht- en zeehavens, het Belgische luchtruim te laten gebruiken door de V.S.A.  en door het V.K. voor ieder transport van militaire troepen en militair materiaal, wapens, communicatiemiddelen, logistieke middelen, uitrusting of andere materiële middelen of aanverwanten die direkt of indirekt bestemd zijn voor de oorlogsvoering van de V.S.A.  en van het V.K. tegen de republiek Irak.  

 

Dat verweerder bij gebreke aan opvolging van vermeld verbod veroordeeld wordt tot betaling aan concluanten samen van een dwangsom van 1 miljoen euro per door een Gerechtsdeurwaarder of via officiële stukken vastgestelde inbreuk op het verbod.

 

Verder te bevelen dat binnen de vijf dagen na tussenkomst van de te vellen beschikking alle niet openbare akkoorden tussen België en de V.S.A., zowel deze die op regeringsniveau als deze die tussen de militairen van de beide landen werden afgesloten en die betrekking hebben op de transporten door de V.S.A. van militaire troepen en militair materiaal, wapens, communicatiemiddelen, logistieke middelen, uitrusting of andere materiële middelen of aanverwanten worden overgelegd aan concluanten op straffe van het betalen van een dwangsom van 10.000 euro per dag en per akkoord dat niet wordt overgelegd.

 

Verweerder te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van concluanten begroot op:

 

Dagvaarding: 224,12 euro

RPV: 223,10 euro

 

De tussen te komen beschikking uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling of kantonnement ;

 

 

Brussel,

 

Voor concluanten hun raadslieden

 

Mr Raf Jespers                  

 

Mr Jan Fermon

 

Mr Jan De Lien

 

dossier : A20030681 -  -

D A G V A A R D I N G   in   K O R T   G E D I N G      04/04/2003

 

1. Aangezien het een zaak is met een spoedeisend karakter zodat de Voorzitter zetelend in kortgeding bevoegd is (artikel 584 Ger. Wetboek).

 

 

A. Feitelijke gegevens en belang

 

2.  Op dit ogenblik voeren de Verenigde Staten van Amerika (V.S.A.) en het Verenigd Koninkrijk (V.K.) met steun van enkele andere landen een oorlog tegen en in de republiek Irak.

Deze oorlog is volgens het internationaal recht een agressieoorlog en is een misdaad tegen de vrede.

 

De Belgische Staat bij monde van de Belgische regering laat inzonderheid de V.S.A. toe

om via België militair en ander personeel en materiaal te transporteren dat bestemd is voor het voeren van, minstens het ondersteunen van het voeren van de oorlog tegen Irak.

De Belgische Staat laat eveneens toe dat B-52 bommenwerpers en andere vliegtuigen van het V.K.en van de V.S.A.  van het Belgische luchtruim gebruikmaken om naar Irak te vliegen en dit land en inzonderheid de hoofdstad Bagdad te bombarderen of militairen en militaire goederen over te brengen naar de Golfregio.

De transporten geschieden over land via het Belgisch spoorwegnet, het wegennet en via de haven van Antwerpen met name via het Vrasenedok op de Antwerpse linkeroever en de kaaien 1217 en volgende.

De transporten geschieden eveneens via de luchthaven te Oostende waar vliegtuigen van het Amerikaanse leger of bestemd voor het vervoer van militair personeel of materiaal, landen om bij te tanken.

 

4.  De transporten gaan nog steeds verder; de pers en goedingelichte bronnen melden dat er nog steeds transporten geschieden via de luchthaven te Oostende en dat ondermeer op 17-18 april 2003 een nieuw transport voorzien wordt via het Vrasene-dok van de haven van Antwerpen.

De Belgische regering heeft nooit ontkend dat de transporten nog steeds gaande zijn.

De melding dat bijkomend 120.000 manschappen door de V.S.A.  naar het front zullen worden gezonden maakt het aannemelijk dat nieuwe transporten van militair materiaal en personeel via België zullen geschieden.

Ook het gebruik van het Belgische luchtruim door vliegtuigen van het V.K. bestemd voor bombardementen en voor het overvliegen van militair materiaal en personeel naar de Golfregio bestemd voor gebruik in en boven Irak gaat nog steeds door.

 

5.  De bombardementen richten grootschalige verwoestingen aan in diverse Iraakse steden en maken talloze slachtoffers niet het minst onder de burgerbevolking.

 

6.  De eerste en tweede verzoeker zijn respectievelijk urgentie-arts en kinderarts en verblijven op dit ogenblik als artsen in Bagdad met een missie van de VZW Geneeskunde voor de Derde Wereld,  waar zij de slachtoffers van de oorlog en inzonderheid van de bombardementen medische bijstand verlenen.

Zij maken ondermeer melding van zware luchtbombardementen op Irak door vliegtuigen van het leger van de V.S.A.  en van het V.K..

Zij maken melding van een groot aantal burgerslachtoffers dat door deze bombardementen reeds gesneuveld en gewond werd.

 

7.  In het dagboek uit Bagdad van dokter Van Moorter op 29 maart 2003 te 6h30 is te lezen:

Vannacht trok Dr. Geert Van Moorter naar een klein ziekenhuis aan de rand van Bagdad, twee uur nadat de plaatselijke al-Nasser markt geraakt was door een kruisraket. De markt ligt in de Shula-wijk, een van de armste wijken van de stad. Aan de telefoon met zijn zus Marijke is het eerste wat Geert zegt: "Het is afschuwelijk, het is gruwelijk wat er nu allemaal gebeurt. De ziekenhuizen zitten overvol, levenden en doden worden binnengebracht, dokters moeten over lijken stappen om de eventuele overlevenden er tussenuit te halen… Ze bombarderen nu dag en nacht, de smeerlappen, en doelbewust op burgers. Ze mikken op markten, zelfs een markt waar arme mensen langsgaan om een paar ajuinen te kopen. Ze bombarderen niet één keer maar verschillende keren op dezelfde plaats. `t Is een echte schande… Er is vast en zeker geen militair doelwit in de wijde omgeving. Er staan geeneens grote gebouwen in de wijk, alleen burgerwoningen."

Dan beschrijft Geert de situatie in het hospitaal: "Het ziekenhuis bood een aanblik als was het de hel. Complete chaos. Overal bloed. Patiënten aan het roepen en schreeuwen. Dokters die al het mogelijke deden om hun patiënten te redden. Een arts probeerde een kind van twee jaar te reanimeren dat nog naar adem hapte, maar tevergeefs… Het gezondheidspersoneel liep wenend rond. Een verpleegster zag een eigen familielid onder de slachtoffers… Dat kleine ziekenhuis telde vannacht 55 doden, waaronder 15 kinderen."

"Stel je eens voor", zei Geert tegen zijn zus, "jij die ook moeder bent: een moeder zit in het ziekenhuis, haar huis werd getroffen, één van haar kinderen is dood en de twee andere liggen hier, zwaar gewond. Ze kijkt wezenloos voor zich uit… Ik heb foto's gemaakt, maar ze zijn té gruwelijk, ik kan die niet doorsturen…" (wordt emotioneel). "Het is verschrikkelijk… Die oorlog moet stoppen!"

"Wat hiert gebeurt, toont eens te meer dat alle beweringen over een ‘chirurgische oorlog' grove leugens zijn", vervolgt Geert. "Het is een vuile oorlog waarin de burgerbevolking sterft. De meeste slachtoffers zijn vrouwen en kinderen. Dit is een misdaad tegen de menselijkheid. Hopelijk zullen Bush en Blair het ooit voor een rechtbank moeten komen uitleggen."

De geest van verzet wordt er niet minder om bij de Iraki's. "De mensen die we in het hospitaal zagen, waren woedend", meldt Geert. "`Lafaards', riepen ze, `ze vechten niet met onze troepen, maar mikken in de plaats op burgers!' De mensen zijn nu heel bedroefd, maar ook heel strijdbaar. Ze zijn woest op de V.S.A. en Groot-Brittannië, en zullen zich niet zo gauw overgeven." 

Geert wijst nog eens op de rol van België. "Jullie moeten alles doen om die wapentransporten te stoppen", vraagt hij. "Leg je voor de treinen, keten je eraan vast. Als ik bedenk dat de bommen die wij op onze kop krijgen, mogelijk door het Belgische luchtruim zijn gepasseerd …"

 

8.  Eerste en tweede verzoeker maken tot op vandaag melding van minstens twee ernstige bominslagen op burgerdoelwitten in Bagdad: op 25 maart 2003 op het middaguur op de snelweg in Sha’ab 20 doden en tientallen gewonden, en op 29 maart 2003 door een kruisraket op de Al-Nasser markt in de Shu’ ala-wijk waarbij minstens 55 doden en tientallen gewonden vielen.

Zij delen mee dat er dagelijks burgerslachtoffers vallen door de bombardementen.

Zij maken melding van bominslagen op zeer korte afstand van het hotel Palestine waar zij overnachten.

 

9.  Het leven en de fysische integriteit van de Iraakse burgers aan wie zij medische hulp verlenen, aan de familieleden ervan en van eerste en tweede verzoeker zelf zijn dagelijks in gevaar door de oorlog en inzonderheid door de dagelijkse nietsontziende bombardementen door de V.S.A. en door het V.K. op Bagdad.

 

10. Eerste en tweede verzoekers wijzen verder op de ernstige aantasting van het voedseldistributiesysteem, van de drinkwatervoorziening en het rioolsysteem en van de medische infrastructuur in Bagdad en andere Irakese steden als gevolg van de oorlog.

 

11. Derde verzoeker is algemeen chirurg in het Al Anour ziekenhuis in de wijk Shu’ala te Bagdad, Irak. Hij doet een dringende oproep om de barbarij en alles wat ertoe bijdraagt te stoppen. Hij werd als arts geconfronteerd met de doden en gewonden van de raketinslag van 29 maart 2003 in de wijk waar zijn ziekenhuis is gevestigd. Als burger van Irak klaagt hij de onwettigheid van de oorlog en de schending van de soevereiniteit van zijn land aan.

 

12. Vierde verzoeker is woordvoerder van de vredesbeweging Stop.USA (Stop United States of Agression) en is als dusdanig een belangrijke spreekbuis van de Belgische publieke opinie die in grote meerderheid gekant is tegen de agressieoorlog tegen Irak en tegen de oorlogstransporten die door de Belgische regering worden toegelaten. Hij wijst erop dat de brede publieke opinie in dit land, gaande tot en met oppositiepartij CD&V de regering aanklaagt omdat zij de transporten toelaat. Als woordvoerder van een belangrijk deel van de Belgische publieke opinie en in persoonlijke naam heeft hij belang bij het stopzetten van de transporten.

 

13. Vijfde verzoeker is voorzitter van de vereniging SOS-Irak die na de eerste golfoorlog werd opgericht ter ondersteuning van de Irakese bevolking die slachtoffer was van het handelsembargo. Op dit ogenblik organiseert de vereniging materiële, morele en politieke ondersteuning van en solidariteit met het Irakese volk dat gebukt gaat onder de oorlog.

 

14. Zesde verzoeker is als journalist herhaaldelijk op onderzoek geweest naar Irak en stelt dat hij als onderdaan van België vanuit het internationaal recht en het volkenrecht niet kan aanvaarden, noch moreel, noch juridisch, noch politiek dat België medeplichtig is aan de oorlog tegen Irak.

 

 

B. De oorlog tegen Irak schendt het internationaal recht

 

15.  De oorlog van de V.S.A. en van het V.K. tegen Irak vindt geen enkele legitimatie in het internationaal recht en is bovendien fundamenteel in strijd met het internationaal verdragsrecht en internationaal gewoonterecht.

Op 7 maart 2003 publiceren zestien professoren van enkele van de meest prestigieuze Britse universiteiten zoals Oxford, Cambridge, London College en London School of Economics in The Guardian een brief waarin zij schrijven dat er ‘op basis van de openbaar gemaakte informatie in het internationaal recht geen rechtvaardiging bestaat voor het gebruik van geweld tegen Irak”.

Diverse juristen delen dit standpunt. (O. Corten e.a. Lettre ouverte aan Eerste Minister, Minister van Buitenlandse Zaken en Minister van Defentie, maart 2003; Jean Flamme, Bush en Blair voor het internationaal strafhof?, De Standaard, 11 maart 2003).

Noch het internationale, noch het nationale recht geven een wettelijke grondslag voor de transporten van militair materiaal of personen of van voor militair gebruik bestemd materiaal of personen, over het Belgisch grondgebied of door het Belgische luchtruim.

 

16.  De grootschalige verwoestingen van infrastructuur door de bombardementen en het op grote schaal doden en verwonden van Irakese burgers door de oorlog vindt geen enkele legimiteit in  het internationaal recht.

 

17.  De Belgische Staat en met name de Belgische regering maakt zich door het toelaten van de transporten medeplichtig aan agressie, aan misdaden tegen de vrede, aan inbreuken op het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en op het Internationaal verdrag van de Verenigde Naties van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO), en aan inbreuken op de Belgische genocidewet en de Belgische strafwet.

 

18.  De Belgische Staat en de Belgische federale Eerste Minister als persoon begaan een onrechtmatige daad door de transporten te laten plaatsvinden.

 

Verzoekers lichten deze stellingen toe.

 

 

B.1. Geen legitimatie voor de oorlog van de V.S.A. en het V.K. tegen de republiek Irak. Geweldverbod als pijler van de internationale rechtsorde.

 

19.  Zowel België als de V.S.A. en het V.K. (en Irak) zijn lid van de Verenigde Naties en hebben bijgevolg de verplichtingen onder het Handvest van de Verenigde Naties van 26 juni 1945 onderschreven.

Deze verplichtingen gaan voor op enig  ander verdrag (art. 103 Handvest) en hebben derhalve  een constitutionele draagwijdte voor de internationale gemeenschap ( Jan Wouters, hoogleraar internationaal recht aan de KU Leuven, Juridische argumentatie Irak-oorlog in strijd met het internationaal recht, Juristenkrant 26 maart 2003, p. 11).

De internationale rechtsorde zoals neergelegd in het Handvest is gebaseerd op de soevereiniteit van de staten (artikel 1 BUPO).

De VN werden na de tweede wereldoorlog opgericht vanuit een vastberadenheid om “komende geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog “.

 

20.  Eén van de hoofdbeginselen die de leden van de VN moeten respecteren, is dat zij zich “in hun internationale betrekkingen onthouden … van bedreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een Staat” (art. 2, lid 4, VN Handvest). VN-leden dienen hun conflicten vreedzaam op te lossen (art. 2, lid 3 VN Handvest).

Het geweldverbod is een pijler van de internationale rechtsorde.

Het VN-Handvest kent op dit geweldverbod slechts twee uitzonderingen :

1. geweldgebruik toegestaan door de Veiligheidsraad, die de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

2. het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval, totdat de Veiligheidsraad de noodzakelijke maatregelen ter handhaving van de internationale vrede en veiligheid heeft genomen (artikel 51 VN Handvest).

 

21.  Het verbod  van interstatelijk geweldgebruik vormt voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag daarenboven een regel van internationaal gewoonterecht (Nicaragua-arrest 1986).

De International Law Commission van de Verenigde Naties acht dit zelfs een norm van dwingend volkerenrecht (ius cogens) .

 

22. Geen enkele resolutie van de VN-veiligheidsraad legitimeert het oorlogsgeweld in Irak.

Op geen enkele wijze kan resolutie 1441 gezien worden als een bevestiging dat er geen bijkomende resolutie nodig is (Jan Wouters, op. cit., p. 11).

In punt 14 van de resolutie wordt trouwens uitdrukkelijk gesteld: “Decides to remain seized of the matter”.

Bovendien blijkt dit uit het feit dat drie permanente leden van de Veiligheidsraad (Frankrijk, China, Rusland) op de dag van de stemming van resolutie 1441 een gezamenlijke verklaring aflegden waarin zij stelden dat de  resolutie elk automatisch geweldgebruik uitsluit en dat het aan de Veiligheidsraad toekomt hierover een Besluit te nemen.

Het gegeven dat de V.S.A. en het V.K. nog in laatste instantie zelf een nieuwe resolutie hebben willen laten stemmen die geweld zou toelaten bevestigt vermelde stelling.

De Belgische Staat zelf heeft steeds het standpunt verdedigd dat resolutie 1441 geen toelating inhield tot oorlogsgeweld.

 

23.  Ten overvloede wordt er op gewezen dat de Veiligheidsraad geen « impliciete » machtiging heeft gegeven tot geweldgebruik en dit gelet op het fundamenteel karakter van het geweldverbod.

 

24.  Artikel 51 van het VN-Handvest stelt dat er enkel sprake is van een zelfverdediging « in geval van gewapende aanval ». Er is geen sprake van een aanval van Irak. De oorlog wordt bijgevolg evenmin gelegitimeerd door het recht op zelfverdediging in hoofde van de V.S.A. of het V.K..

 

 

B.2. De oorlog van de V.S.A. en het V.K. tegen de republiek Irak is een schending van het agressieverbod (misdaad van agressieve oorlogsvoering).

 

25.  Gezien het Handvest van de Verenigde Naties aan de Veiligheidsraad de exclusieve bevoegdheid toewijst om op te treden met betrekking tot de bedreiging van de vrede, verbreking van de vrede en daden van agressie (Hoofdstuk VII Handvest) dient hieruit a contrario te worden afgeleid dat geen andere internationale instantie dan de Verenigde Naties hiertoe bevoegd is en dus zeker geen ander land.

De V.S.A.  en het V.K. zijn op eigen houtje een oorlog  begonnen zonder instemming van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

 

26.  Het Handvest van de Verenigde Naties definieert agressie – de misdaad van agressieve oorlogsvoering – niet rechtstreeks. In resolutie 3314 van de Algemene Vergadering aangenomen op 14 december 1974 wordt volgende definitie geformuleerd.

Artikel 1: « Agressie is het gebruik van de gewapende macht door een Staat tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere Staat of op enige andere manier die niet strookt met het Handvest van de Verenigde Naties zoals uiteengezet in deze definitie. »

 

27.  Het plegen van oorlogsgeweld tegen de republiek Irak zonder dat daarvoor door de Veiligheidsraad een uitdrukkelijke machtiging is verstrekt moet dan ook gekwalificeerd worden als agressie (in de zin van resolutie 3314) die niet enkel juridisch als volkenrechtelijke onrechtmatig is, maar een ernstig misdrijf vormt naar internationaal recht.

 

 

B.3. De oorlog van de V.S.A. en het V.K. tegen de republiek Irak is een misdaad tegen de vrede, een oorlogsmisdaad en een misdaad tegen de mensheid.

 

28.  Het handvest van het Internationaal militair tribunaal van Neurenberg van 8 augustus 1945 kwalificeert als een misdrijf tegen de vrede:

“Het maken van plannen voor, het voorbereiden van, het nemen van initiatieven tot, of het voeren van een aanvalsoorlog of een oorlog in strijd met internationale verdragen, overeenkomsten of verzekeringen, of deelneming aan een gemeenschappelijk plan of samenzwering voor het verrichten van bovengenoemde handelingen”.

Hetzelfde handvest kwalificeert in hetzelfde artikel 6 oorlogsmisdaden:

“Schendingen van de oorlogswetten of oorlogsgebruiken. Zulke schendingen zullen inhouden, maar zijn er niet toe beperkt, moord, slechte behandeling of deportatie voor slavenarbeid of voor elk ander doel van de burgerbevolking of in bezet gebied, moord of slechte behandeling van oorlogsgevangenen of van personen onder toezicht, doden van gijzelaars, het plunderen van publiek eigendom, bewuste vernieling van steden of dorpen, of verwoestingen die niet om militaire redenen gerechtvaardigd zijn.”

Artikel 6 kwalificeert alsvolgt misdaden tegen de menselijkheid:

“Moord, uitroeing, enslavement, deportatie en andere onmenselijke daden tegen de burgerbevolking, voor of tijdens de oorlog…”.

Artikel 6 bepaalt voorts:

“Leiders, organisatoren, zij die hebben uitgelokt en medeplichtigen, die hebben deelgenomen aan het opstellen of uitvoeren van een gemeenschappelijk plan of samenzwering om een van de bovengenoemde misdrijven te begaan, zijn aansprakelijk voor alle daden die door personen ter uitvoering van dit plan zijn verricht.”

 

29.  Het handvest van Neurenberg is volkenrechtelijk gewoonterecht en is als dusdanig van toepassing. Nog recente­lijk, bij het totstandbrengen het Sta­tuut van het Joegosla­vië Tribu­naal, werd door de Secretaris-Gene­raal van de Verenigde Na­ties tot uit­drukking gebracht dat het Joegoslavië Tribunaal in geen enkel opzicht nieuw recht zou gaan toepassen, doch uitsluitend dat recht dat als vol­ken­rechtelijk gewoonterecht algemeen is gevestigd. Waarbij door hem dan in zijn begeleidend rapport bij het publi­ceren van de bepalingen van dit Statuut van het

Joegoslavië Tribu­naal op dit stuk wordt gesteld:

"34. In the view of the secretary-General, the ap­pli­ca­tion of the principle nullum crimen sine lege requi­res that the international tribunal should apply rules of international humanitarian law which are beyond any doubt part of custo­mary law so that the problem of adherence of some but not all States to specific con­ventions does not arise. This would appear to be par­ticularly important in the context of an international tribunal prosecuting persons responsi­ble for serious violations of international humanitairian law.

35. The part of conventional international humanita­ri­an law which has beyond doubt become part of in­terna­tional customary law is the law appliclable in armed conflict as embodied in: the Geneva Conventi­ons of 12 August 1949 for the Protection of War Victims; 3/ the Hague Convention (IV) Respecting the Laws and Customs of War on Land and the Regulations annexed thereto of 18 October 1097 ; 4/ the Conven­tion on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide of 9 december 1948; 5/ and the Charter of the International Military Tribunal of 8 August 1945."

(Report of the Secretary-General pursuant to Para­graph 2 of the Security Council Resolution 808 (199­3), dated 3 may 1993, S/2507).

 

B.4. Schending van de Internationale Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en van de Aanvullende Protocols I en II bij die Verdragen en van de Belgische wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van de ernstige inbreuken op (Belgische genocidewet) die bepalingen van vermelde bedragen in de Belgische strafrechtsorde invoegt.

 

30.  De Belgische genocidewet is niet alleen van toepassing op Belgen maar ook onder specifieke voorwaarden op vreemdelingen.

De wet straft personen, individuen en geen staten. De persoonlijke stafbaarstelling van personen die de in vermelde wet omschreven misdrijven uitvoeren en van de aanzetters tot , van de deelnemers (de wet stelt artikelen 66 en 67 van het Stafwetboek toepasselijk) en van hen die verzuimd hebben gebruik te maken van de mogelijkheid tot handelen om de voltooing ervan te verhinderen of te doen ophouden, maakt dat de Belgische regering, alleszins de verantwoordelijke ministers, als persoon strafbaar kunnen gesteld worden wanneer zij niet het nodige doen om de vermelde misdrijven te voorkomen.

Dit houdt ook in dat zij gehouden zijn al het mogelijke te doen om minstens in het kader van hun bevoegdheid op het Belgische grondgebied de misdrijven te voorkomen.

 

31.  Verzoekers zijn van mening dat de oorlog die zich thans afspeelt in Irak ernstige inbreuken uitmaakt op volgende artikels van de genocidewet:

Artikel 1, &1: genocide als internationaalrechtelijke misdaad waaronder wordt verstaan de handelingen gepleegd met de bedoeling om geheel of gedeeltelijk … een nationale groep met name delen van de Irakese bevolking, uit te roeien, door het doden van leden van de groep, het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep…

Artikel 1, &2: misdaad tegen de mensheid waaronder wordt verstaan de volgende handelingen in het kader van een veralgemeende of stelselmatige aanval op de burgerbevolking, door moord, beroving van de lichamelijke vrijheid…

Artikel 1,&3: internationaal rechtelijke misdaden bestaande uit handelingen of nalatigheden die schade toebrengen aan personen beschermd door het verdrag van Genève van 12 augustus 1949 en het eerste en tweede aanvullend protocol, door opzettelijke doodslag, moedwillig veroorzaken van hevig lijden, toebrengen van ernstig lichamelijk letsel dan wel ernstige schade aan de gezondheid, het uitvoeren van een niet-onderscheidende aanval waardoor burgerbevolking getroffen wordt…

 

 

B.5. Schending van de bepalingen van het Internationaal verdrag van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) van 19 december 1966, B.S. 6 juli 1983 en van het Europees verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

 

32.  Verzoekers stellen dat volgende artikels van het BUPO overtreden worden door het toelaten van transporten van materiaal bestemd voor de oorlog in Irak over het Belgische grondgebied en door het Belgische luchtruim.

De oorlog en de transporten schenden de volgende basisrechten van verzoekers.

BUPO:

Artikel 1.1: Alle volken bezitten het zelfbeschikingsrecht. Uit hoofde van dit recht bepalen zij in alle vrijheid hun politieke status en streven zij vrijelijk hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na.

Artikel 1.3. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag … bevorderen de verwezenlijking van het zelfbeschikkingsrecht en eerbiedigen dit recht overeenkomstig de bepalingen van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel 6.1.: Een ieder bezit een inherent recht op het leven. …

Artikel 6.3: Wanneer de beroving van het leven het misdrijf genocide inhoudt is het wel te verstaan dat geen enkele bepaling van dit artikel een Staat die partij is bij dit Verdrag de bevoegdheid geeft af te wijken van enigerlei verplichting die is aanvaard krachtens de bepalingen van het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide.

Artikel 7: Niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. …

Artikel 20.1: Alle oorlogspropaganda is bij wet verboden.

EVRM:

Artikel 2.1: Het recht van eenieder op het leven wordt beschermd door de wet.

Artikel 3: Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.

Artikel 5: Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid.

 

 

 

 

B.6. geen wettelijke grondslag in de Belgische wet voor de militaire transporten over het Belgische grondgebied

 

33.  Art 185 van de Grondwet stelt :

“Vreemde troepen mogen niet dan krachtens een wet tot de dienst van de Staat worden toegelaten, het grondgebied bezetten of er doorheen trekken.”

Hieruit dient afgeleid te worden dat de Koning zelf geen toelating kan geven om vreemde troepen of in casu militaire transporten toe te laten.

 

34.  De Belgische wet die “de doortocht en het verblijf in België toelaat van de troepen van de met België door het Noord-Atlantisch Verdrag verbonden landen” van 11 april 1962, B.S. 20 april 1962, bepaalt in zijn enig artikel:

“De troepen van Staten met België door het Noord Atlantisch Verdrag verbonden mogen het nationaal grondgebied doortrekken of er gestationeerd zijn binnen de grenzen en onder de voorwaarden voor elk geval vastgesteld in met de betrokken regeringen te sluiten uitvoeringsakkoorden”.

 

35.  De wet van 11.04.1962 laat de regering niet toe uitvoeringsakkoorden te sluiten en uit te voeren anders dan in het kader van het NAVO-Verdrag van 4 april 1949.

De Belgische eerste minister verklaarde op 17 januari 2003 tijdens het actualiteitsdebat in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers dat de transporten plaatsvonden in het kader van een bilateraal akkoord (Host Nation Support Agreement), dat op 19 juli  1971 tussen België en de V.S.A. werd gesloten op basis van de wet van 11 april 1962.

In de memorie van toelichting bij deze wet (Parlementaire stukken, 646, 1959-1960) verwijzen de destijds bevoegde ministers uitdrukkelijk naar artikel 3 van het NAVO-Verdrag. In dit artikel 3 (dat letterlijk in de memorie van toelichting wordt overgenomen) wordt gesteld dat “de Verdragsluitende Partijen, ieder voor zich en tezamen, haar inividueel en collectief vermogen om een gewapende aanval te weerstaan zullen handhaven en ontwikkelen, door voortdurend en op doelmatige wijze zich zelf te versterken en elkander hulp te verlenen.”

Uit het bovenstaand dient dan ook afgeleid worden dat het uitvoeringsakkoord dat afgesloten werd (Host Nation Support Agreement) gezien dient te worden ter uitvoering van art. 3 van het NAVO-Verdrag.

 

36. Verzoekers verwijzen naar en sluiten zich aan bij “Note sur le Traité secret conclu entre la Belgique et les Etats-Unis en 1971” opgesteld door drie professoren internationaal recht aan de ULB met name Olivier Corten, Eric David en Pierre Klein. Deze nota stelt op basis van een uitvoerige juridische argumentatie dat de keuze van de Belgische regering om de transporten toe te laten een politieke keuze is, en in geen enkele mate een juridische verplichting. Zij hebben de nota gemaakt na het publiek worden van het ‘geheim’ akkoord van 1971. Ook het feit dat de ministers Michel en Flahaut op de RTBF verklaarden dat er geen transporten meer zouden plaatsvinden via België, maar enkele dagen later na tussenkomst van de Eerste Minister op dit standpunt terugkwamen, bevestigt dat het om een politieke keuze gaat.

 

 

37. Het akkoord van 1971 kan niet geinterpreteerd worden als een toelating om het Handvest van de VN te schenden. Zoals hoger gesteld is de oorlog van de V.S.A. en het V.K. een agressie die niet verenigbaar is met artikels 2&3 en 2&4 van het VN-handvest. Het is dan ook voor de hand liggend dat België de verplichting heeft geen hulp of bijstand te verlenen aan een land dat een agressie pleegt. Het Handvest heeft conform haar artikel 103 voorrang op ieder ander internationaal akkoord. De hogere rechtsnorm mag niet geschonden worden in naam van een lagere rechtsnorm.

De eerste inleidende zin van het NAVO-verdrag bepaalt immers:

“De partijen bij dit Verdrag bevestigen opnieuw hun vertrouwen in de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en hun wens om in vrede te leven met alle volkeren en alle regeringen”.

Artikel 1 van het NAVO-verdrag bepaalt:

“De partijen verbinden zich ertoe om, zoals uiteengezet in het Handvest van de Verenigde Naties, alle internationale geschillen waarin zij mochten worden gewikkeld met vreedzame middelen te beslechten op zodanige wijze dat de internationale vrede en veiligheid en gerechtigeheid niet in gevaar worden gebracht, en zich in hun internationale betrekkingen te onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld op enige wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties”.

Artikel 7 van het NAVO-verdrag bepaalt:

“Dit verdrag heeft geen invloed, en mag niet worden uitgelegd als hebbende enige invloed op de rechten en verplichtingen ingevolge het Handvest van partijen die lid zijn van de Verenigde Naties, noch op de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad voor de handhaving van internationale vrede en veiligheid.”

Artikel 8 van het NAVO-verdrag stelt tenslotte:

“Elk der partijen … verplicht zich geen enkele internationale verbintenis aan te gaan die strijdig is met dit Verdrag.”

Het NAVO-verdrag verklaart zich ondergeschikt aan het Handvest van de Verenigde Naties.

 

38. Het akkoord is enkel van toepassing op NAVO-operaties.  In de preambule wordt gesteld: “… which is te ensure logistic support of the American forces stationed in the central region of the Allied Command in Europe … for the purpose of achieving the objectives of the North Altlantic Treaty.” De oorlog in Irak is geen NAVO-objectief. Diverse NAVO-landen waaronder België zijn er zelfs duidelijk tegenstander van.

Reeds om die reden kan dan ook geen toepassing gemaakt worden van het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971, daar de Belgische wet van 11 april 1962, die de basis is voor het uitvoeringsakkoord, werd gestemd in het kader van het NAVO-verdrag. Vermelde oorlog gaat bijgevolg het kader van het akkoord te buiten.

 

39.  Artikel 3 van het NAVO-verdrag plaatst bovendien de wederzijdse hulpverlening (in casu de transporten) in het kader van het “handhaven van het vermogen om een gewapende aanval te weerstaan”. Er is geen sprake van een gewapende aanval tegen de V.S.A. of tegen het V.K..

Het NAVO-verdrag zelf maakt duidelijk dat de Belgische wet van 11 april 1962, en bijgevolg ook het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971 niet van toepassing zijn in de huidige situatie. Wat meer is: in de actuele situatie zou de toepassing ervan precies betekenen dat het NAVO-verdrag zelf waaruit de wet en het akkoord voortvloeien geschonden wordt.

 

40.  In het actualiteitsdebat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers stelt de Belgische eerste Minister dat “volgens het akkoord van 19 juli 1971 de VS in tijden van spanning gemachtigd zijn om een communicatielijn te activeren om materiaal te transporteren, zoals zij op 29 januari 2003 hebben gedaan.” Het begrip “tijden van spanning” vindt geen enkele grondslag in het NAVO-verdrag en bijgevolg evenmin in de wet van 11 april 1962, die een uitvloeisel is van het NAVO-verdrag.

Voor zover de Belgische regering refereert naar “de periode van spanning waarin wij ons, aldus de NAVO, bevinden sinds 12 september 2001” (premier Verhofstadt tijdens kamerdebat van 17 maart 2003) blijkbaar met verwijzing naar artikel 5 van het NAVO-verdrag, wordt opgemerkt dat dit in casu evenmin van toepassing is. De op zich reeds zeer betwistbare toepassing van artikel 5 van het NAVO-verdrag (het is betwistbaar dat de aanslagen op het WTC en Pentagon van 11 september 2001 te kwalificeren zijn als een gewapende aanval tegen een land dat lid is van de NAVO), kan niet uitgebreid worden tot de oorlog van twee NAVO-landen tegen Irak, waar er geen band tussen Al Quada en Irak is aangetoond. Er is geen aanval van Irak tegen een land dat lid is van de NAVO. Een vermeende aanval van een derde (terreurorganisatie) kan niet als rechtvaardiging dienen voor het inroepen van artikel 5 van het NAVO-verdrag in het kader van de oorlog tegen Irak.

De professoren Corten, David en Klein wijzen in hun nota nog op de zeer tegenstrijdige verklaringen die de diverse ministers van de Belgische regering gaven over het al of niet inroepen van het begrip “periode van spanning” (nrs. 12-14).

 

41.  Het is verder betwistbaar dat de wet van 11 april 1962 het sluiten van een dergelijk algemeen en lang in de tijd lopend uitvoeringsakkoord toelaat. In de wet wordt het uitvoeringsakkoord voor doortrekken en stationeren van troepen voorzien “binnen de grenzen en onder de voorwaarden voor elk geval vastgesteld”. Dit wijst er op dat er geval per geval een uitvoeringsakkoord dient gesloten te worden. In de memorie van toelichting wordt dit bevestigd: “Op grond van de voorgestelde tekst verleent de wet de toelating tot verblijf en doortocht aan de troepen van de landen, verbonden met België door het Noord-Atlantisch verdrag, maar de grenzen en de voorwaarden van iedere doortocht zullen voor elk geval worden vastgesteld in akkoorden af te sluiten met de betrokken landen”.

Het akkoord zou herzien zijn in 1994 om de Amerikaanse troepen toe te laten in het kader van UNO-operaties deel te nemen. Terecht merken vermelde professoren op dat dit betekent dat het akkoord van 1971 beperkt was tot het strikte NAVO-kader, en anderzijds dat een uitbreiding enkel mogelijk is in het kader van UNO-operaties. Zodat het dus evident is dat het akkoord niet van toepassing is als landen een oorlog voeren buiten het kader van de NAVO of de UNO.

 

42.  Verzoekers zijn dan ook van mening dat de Belgische Staat zich ter rechtvaardiging van de transporten niet kan beroepen op het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971, noch op de wet van 11 april 1962. Alleszins zijn de bepalingen van dit akkoord en van deze wet ondergeschikt aan de in de huidige situatie ermee strijdige norm van het NAVO-verdrag en met de nog hogere norm van het VN-Handvest.

 

43.  Bovendien kunnen bij het inmiddels publiek gemaakte akkoord nog volgende opmerkingen worden gemaakt.

Het akkoord heeft duidelijk betrekking op de logistieke ondersteuning van Amerikaanse troepen in Duitsland en niet op het transport naar een land als Irak. In de preambule wordt gesteld: “… which is to ensure the logistic support of the American forces stationed in the central region of the Allied Command in Europe…”. Dit wordt bevestigd door artikel 5 van het akkoord: “To the extent possible at the time, the Belgian Government will provide the Governement of the United States of America with the services necessary for debarkation, transshipment, reception and transit of troops, materiel, equipment and supplies to or from the central region of the Allied Command in Europe”.

België behoudt in alle omstandigheden de volledige soevereiniteit over het grondgebied. Dit blijkt uit artikel 8, 1: “In all circumstances, essential Belgian requirements (civilian and military) shall take priority over allied requirements of every type. The Belgian Government remains the only judge of exceptions which critical circumstances may justify.” Het kan moeilijk betwist worden dat de illegaliteit van deze oorlog tegen Irak en het feit dat België zich  medeplichtig maakt aan agressie, misdaden tegen de vrede en oorlogsmisdaden begaan door de V.S. en het V.K. in Irak als een ‘critical circumstance’ kan beschouwd worden. Reeds om die reden kan België op basis van artikel 8 beslissen het akkoord niet uit te voeren.

Tenslotte kan België op basis van artikel 14 een betwisting over de interpretatie van het akkoord onderwerpen aan een overleg met de Amerikaanse minister van Defensie. Van deze geschillenprocedure is blijkbaar geen gebruik gemaakt.

 

44.  Het uitvoeringsakkoord dat als ‘geheim’ is geklasseerd, kan ook nog om volgende reden geen toepassing vinden in de Belgische rechtsorde (zie Jan Wouters, Godelieve Craenen en Dries Van Eeckhoutte, respectievelijk hoogleraren en wetenschappelijk medewerker aan de faculteit rechtsgeleerdheid van de K.U.Leuven, Militaire transporten en geheime akkoorden, zie stuk).

Sedert het einde van de Eerste Wereldoorlog bestaat in de internationale gemeenschap de consensus dat het sluiten van Verdragen in volledige openheid en transparantie moet gebeuren. De afschuw en de verontwaardiging die tijdens en na de oorlog waren ontstaan door de ontdekking van verschillende geheime akkoorden, liggen  mede aan de grondslag van de bepaling in het Handvest van de Verenigde Naties die alle leden ven de VN ertoe verplicht “elk verdrag en elke internationale overeenkomst” bij de VN te registreren. Het VN secretariaat zorgt dan voor de publicatie. Aan de niet publicatie kleeft als sanctie dat een partij bij zulk verdrag zich niet ten aanzien enig orgaan van de VN – bijvoorbeeld het  Internationaal Gerechtshof - op dat verdrag of die overeenkomst mag beroepen (art. 102 VN-Handvest). Deze verplichting werd bovendien herbevestigd in artikel 80 van het Weens Verdrag van 23 mei 1969 over Verdragsrecht, waarbij België eveneens partij is.

Het bilateraal akkoord van 1971 – volkenrechtelijk zonder meer een verdrag – is nooit bij de VN geregistreerd.

Sinds 1993 vereist artikel 167 van de Belgische Grondwet dat alle door België afgesloten verdragen aan het parlement ter instemming worden voorgelegd, zoniet hebben ze geen gevolg. Bij gebreke hiervan kan een verdrag geen gevolg hebben in de Belgische rechtsorde. Ook het oude artikel 68, 2de lid van de Grondwet bepaalde dat “verdragen die de Staat zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, eerst gevolg hebben nadat zij de instemming van de Kamers hebben gekregen”. Er kan dus worden gesteld dat het akkoord van 1971 op zich geen gevolg heeft noch voor de Belgische Staat noch voor individuen die de transporten zouden moeten uitvoeren. (Cassatie 11 december 1953, Arr. Verbr. 1954, 252, Pas. 1954, I, 298.:”Om de Belgen individueel te binden moet een verdrag niet enkel door het Parlement goedgekeurd zijn maar ook in het Staatsblad bekendgemaakt zijn; Cassatie 25 november 1955, Arr. Verbr. 1956, 234: “De regel van artikel 68, tweede lid, geldt ook voor internationale overeenkomsten die niet de vorm van een verdrag hebben aangenomen.”)

 

45.  Ten slotte dient opgemerkt dat het parlementaire controlerecht wat een basisbeginsel is in de parlementaire democratie met de voeten getreden wordt. Het Parlement kan immers op geen enkel wijze controleren over welke uitvoeringsakkoorden het gaat en of het wel om een uitvoeringsakkoord gaat in de zin van de wet van 11 april1962. Immers de akkoorden werden niet aan de parlementsleden voorgelegd hoewel de toenmalige minister van buitenlandse zaken Paul-Henri Spaak in de Senaat gesteld had dat alle uitvoeringsakkoroden van de wet van 11 april 1962 aan de Kamers zouden getoond worden. (Handelingen Senaat, 1961-62, p.749).

Daar het uitvoeringsakkoord van 19 juli 1971 niet officieel gepubliceerd werd is het betwistbaar dat dit akkoord in de huidige situatie van de oorlog met Irak toelaat wat de regering stelt dat het toelaat. De inhoud ervan is niet officieel bekend.

 

 

 

 

C. Civiele aansprakelijkheid van de Belgische Staat voor de schade of het ernstig nadeel van verzoekers en delictuele aansprakelijkheid van de Belgische Staat door medeplichtigheid aan het schenden van internationale rechtsnormen en Belgische rechtsnormen met schade en nadelige gevolgen voor verzoekers.

 

46.  De transporten ter zee, land en in de lucht leveren een wezenlijke bijdrage aan de oorlogsvoering door de V.S.A. en het V.K. tegen Irak. Deze oorlog betekent een schending van het geweldverbod opgelegd door het VN-Handvest, maakt het misdrijf uit van de agressieve oorlogsvoering, maken volgens de internationale normen van het gewoonterecht geformuleerd in het Charter van Neurenberg een misdaad uit tegen de vrede, een oorlogsmisdaad en een misdaad tegen de mensheid, en betekent een schending van het internationale verdrag van Genève van 12 augustus 1949 en de twee aanvullende protocols en van de Belgische toepassing ervan met name de genocidewet van 16 juni 1993.

Bovendien worden diverse bepalingen van het EVRM en het BUPO geschonden.

Tenslotte is er geen rechtsgrond voor de transporten in het NAVO-verdrag, noch in de Belgische wet van 11 april 1962 en het uitvoeringsakkoord van 1971.

Verzoekers zijn van mening dat het toelaten van de transporten te land, ter zee en in de lucht de medplichtigheid van de Belgische Staat met zich meebrengt. Verder wordt er ook op gewezen dat de persoonlijke verantwoordelijkheid en individuele verantwoordelijkheid van de betrokken regeringsleden in het geding is.

 

 

47. Uit lezing van resolutie 3314 van de Algemene Vergadering van de UNO blijkt dat de medeplichtigheid aan een daad van agressie eveneens als agressie wordt gekwalificeerd. Meer bepaald gaat het om artikel 3 f.

Artikel 3: “Volgende daden zullen ongeacht er sprake is van een oorlogsverklaring gezien worden als een daad van agressie : … f) De daad van een Staat die toelaat dat haar grondgebied  ter beschikking wordt gesteld van een andere Staat om aan deze toe te laten een daad van agressie te stellen.

Gezien de Belgische Staat toelaat Amerikaans legermateriaal dat dienstig is voor de agressie van de V.S.A. en het V.K. tegen Irak over zijn grondgebied te vervoeren en mee instaat voor de veiligheid ervan, en zij toelaat dat vliegtuigen van het V.K. voor bombardementen in Irak gebruik maken van het Belgische luchtruim, pleegt zij overeenkomstig art. 3 f van resolutie 3314 een daad van agressie.

 

48.  In 1986 heeft het V.K. zijn grondgebied ter beschikking gesteld van het leger van de V.S.A.  voor het uitvoeren van een niet door de Veiligheidsraad gemachtigde militaire actie tegen Libië. De Algemene vergadering van de UNO heeft deze gewapende aanval veroordeeld door aan alle staten te vragen “zich te onthouden van het verlenen van elke hulp of faciliteiten van welke aard ook aan het plegen van de agressiedaden” (resolutie 41/38 van 20 november 1986).

 

49.  Zeer recent hebben ongeveer 300 specialisten in Internationaal recht uit een vijftiental landen met betrekking tot de huidige Irak-oorlog een oproep ondertekend waarin gesteld wordt:

Punt 5: Het unilateraal uitroepen van een algemene oorlog tegen Irak met de hogervermelde rechtvaardigingen of voorwendsels betekent het verbreken van de vrede en een misdaad van agressie volgens de kwalificaties van het internationaal recht.  Deze misdaad doet niet alleen de verantwoordelijkheid ontstaan van de betrokken staten, maar ook van ider individu dat vrijwillig en met kennis van zaken heeft deelgenomen aan de uitvoering ervan.

Punt 6: Iedere deelname aan een dergelijke oorlog aan de zijde van de Verenigde Staten, met in begrip van iedere hulp onder welke vorm ook aan de Verenigde Staten door regeringen van derde landen of van een regionale organisatie, betekent eveneens een schending van het principe van het geweldverbod.

 

 

50.  Verzoekers kunnen zich beroepen op de hogeraangeduide normen die naar hun mening door de Belgische Staat geschonden zijn.

Dit is niet betwistbaar voor de normen die volgen uit de normen die tot het interne Belgische recht behoren (1382 BW, 1383 BW, Belgische genocidewet, Belgische strafwet…), of van verdragsrechtelijke normen (E.V.R.M., BUPO, …) die bij wet door België zijn goedgekeurd.

Het is evenmin betwistbaar dat verzoekers zich als burgers onderdanen van België of zich op deze rechtsregels kunnen beroepen.

 

51. Verzoekers stellen verder dat zij beroep kunnen doen op het geweldverbod dat opgenomen is in artikel 2, lid 4 van het VN-Handvest.

De rechtstreekse werking ervan in de interne rechtsorde is ondermeer in Nederland aanvaard als een mogelijkheid:

“Bij deze stand van de jurisprudentie moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat onder omstandigheden aan het in het Handvest neergelegde verbod tot agressie en tot non-interventie rechstreekse werking wordt toegekend. Een argument hiervoor lijkt ook artikel 15 lid 2 EVRM te verschaffen, dat afwijking van artikel 2 EVRM niet toestaat behalve in geval van dood als gevolg van ‘onrechtmatige oorlogshandelingen’ “.

(Pres. Rb. Den Haag, van 7 april 1999, KG nummer 99/339 inzake Dankovic c.s. / Staat der Nederlanden).

Artikel 2 van het Handvest richt zich niet alleen op de Leden van de VN, maar ook op de Organisatie van de Ver­enigde Naties als geheel en, blijkens de preambule van het Handvest – welke inge­volge het Weense Verdragenver­drag immers onlosmakelijk deel uitmaakt van het Verdrag als zodanig -, als het ware over de hoofden van de Leden en de Organi­satie heen, evenzeer op de Volken van de Verenigde Naties, van wiens vredeswil het Handvest een uit­drukkings­vorm is. Gelet op deze Preambule, ge­steld in de 'wij-vorm', is daarmee het Handvest dan ook eerder een document van de Volke­ren dan van de Staten van de Verenigde Na­ties.

Ook reeds daarom kan niet worden aangenomen dat artikel 2 lid 4 van dit Handvest zich alleen en uitsluitend tot Staten zou richten;

 

52.  Verzoekers beroepen zich niet primair op artikel 2 lid 4 van het VN-Handvest, doch op de onderlig­gende volkenrechtelijk gewoonterechtelijke norm van dwin­gend recht (ius cogens), die als zodanig in Nederland ook uitdrukkelijk door het Gerechtshof Amsterdam wordt geïdentificeerd in het arrrest Dedovic / Kok, en welke voorts ook nog op een aantal andere plaatsen in het verdragsrecht tot uitdruk­king wordt gebracht, met name ook in het interventieverbod van artikel 3 Protocol II bij de Verdragen van Genève, welk Protocol natuurlijk rechtstreekse werking allerminst kan worden ontzegd;

Vervolgens moet nog worden benadrukt dat het feit dat het geweldsverbod een norm betreft van ius cogens, impliceert dat deze norm een universeel en abso­luut karakter draagt, geldt jegens alles en iedereen en ook door de rechter onder alle omstandigheden moet wor­den gehandhaafd, zodat ook om deze reden een ieder daar­op een beroep toekomt die als gevolg van agressie door enigerlei rechtssubject dat onder de jurisdictie van de rechter valt in persoon schade ondervindt of dreigt te ondervinden.

 

53.  Tenslotte is ook een onderdeel van het gewoonterecht dat individuele personen voor schending van de gewoonterechtelijke norm van het geweldsverbod ook persoonlijk strafrechtelijk kunnen worden vervolgd, zoals ook verdragsrechtelijk is vastgelegd in onder meer het Handvest van Neurenberg, het Statuut van het Joegoslavië Tribunaal, het Statuut van het Rwan­da Tribu­naal en het Statuut van het Internatio­naal St­raf­hof. Dit principe van individuele straf­rechte­lijke aansprakelijk­heid voor agressie als misdrijf kan uiteraard niet zon­der

kon­sekwen­ties blijven naar ook andere rechtsinstanteis dan de (inter­nationa­le)

strafrechter. Op re­chts­regels, voor de welker schen­ding personen een individuele

strafrechtelijke aan­spra­ke­lijkheid hebben te dragen, komt immers diezelfde per­sonen vanzelfspre­kend ook een indi­vidueel beroep in rechte toe.

 

 

 

 

D. De hoogdringendheid en de uitvoerbaarheid bij voorraad is in casu onbetwistbaar.

 

54.  Eerste, tweede en derde verzoeker verblijven op dit ogenblik in Bagdad. Deze stad wordt dagelijks zwaar gebombardeerd. Deze stad wordt stilaan omsingeld door de legers van de V.S. en het V.K. .

Er is een eminente en dagelijkse bedreiging van hun leven en van hun veiligheid. De V.S.A. heeft bekend gemaakt dat bijkomend 120.000 troepen naar de Golf zullen worden verscheept of overgevlogen.

Een special report van CNN van 31 maart 2003 maakt melding van het overbrengen van de 1ste Armored Division en van het V Corps van de U.S. Army gelegerd in Wiesbaden en Heidelberg, Duitsland. Het laat zich raden dat hiervoor gebruik zal worden gemaakt van het Belgische grondgebied, de Belgische havens en het Belgisch luchtruim.

Er is een transport voorzien via de Antwerpse haven voor 17-18 april 2003.

De luchthaven van Oostende wordt nog gebruikt voor minstens het bijtanken van Amerikaanse oorlogsvliegtuigen.

Het Belgische luchtruim wordt nog gebruikt voor overvluchten van militaire vliegtuigen die steden in Irak gaan bombarderen.

Analyse van de brokstukken van de raket bewijst dat de 62 doden en tientallen gewonden die op de markt van Shu’ala, een arme islamitische wijk in Bagdad op 30 maart 2003 gedood werden door een projectiel afgevuurd door het leger van de V.S. .

The Independent meldt dat het Pentagon toelating gaf om gebruik te maken van het gas dat in het theater in Moskou bij de ontruiming van een bezetting door Tsjetsjenen, tientallen doden maakte.

Het gevaar voor het leven en de gezondheid van verzoekers zelf en van de burgers van Bagdad wiens fysieke integriteit zij als artsen moeten vrijwaren blijft dreigend aanwezig.

Het is onmiskenbaar dat de transporten en overvluchten bijdragen tot deze oorlogslogica en tot deze oorlogsmisdaden.

 

55.  Voor derde verzoeker geldt dat de bedreiging van de soevereiniteit van zijn land, van het leven en de veiligheid van zijn patienten, familie en vrienden steeds aanwezig blijft en de transporten en overvluchten leveren hiertoe een bijdrage. De bedreiging van vermelde rechten en waarden blijft reeel en actueel. De transporten leveren hun bijdrage aan deze bedreigingen en schendingen van het internationale en nationale recht.

 

56. Voor vierde, vijfde en zesde verzoeker wordt gewezen op het feit dat zij in eigen naam en als woordvoerders van belangrijke politieke, humanitaire en solidariteitsbewegingen met Irak een dringende tussenkomst wensen opdat de medeplichtigheid van de Belgische Staat aan de agressie en de ernstige mensenrechtenschendingen zou ophouden. Zij hebben hiertoe een dringend politiek, moreel en humanitair belang.

 

57.  De urgentie is aanwezig “wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen”. (Cassatie 11 mei 1990, R.W.; S. Beernaert, Algemene principes van het civiele kortgeding, R.W. 2001-2002, 1341-1350). Dit is in casu overduidelijk het geval voor de diverse verzoekers. Bij de belangenafweging mag het duidelijk zijn dat het hier gaat om ernstige rechtsschendingen die zaken van leven en dood, van gezondheid en blijvende trauma’s betreffen en de rechter is waar de Belgische Staat haar verantwoordelijkheid terzake niet consequent neemt de laatste toevlucht voor de burger.

 

58.  Wat betreft de voorwaarde “uitspraak bij voorraad” wordt erop gewezen dat maatregelen in kortgeding kunnen steunen op evidente en onbetwiste rechten. (S. Beernaert, op. cit., nr. 19). Uit het hogervermelde blijkt duidelijk dat de Belgische Staat een feitelijke situatie heeft gecreeerd, met name het toelaten van de transporten, en dit op een onrechtmatige wijze, met name met schending van de internationale en nationale rechtsnormen die terzake van toepassing zijn. De rechtspraak erkent dat de Voorzitter zetelend in kortgeding een einde mag maken aan feitelijke toestanden of aan feitelijkheden die kennelijk tegen het recht indruisen. (Fetweiss, Kortgeding, nr. 474; S. Beernaert, op. cit., nr. 22).

 

 

E. Gevorderde maatregelen

 

59.  Verzoekers vorderen dat aan de Belgische Staat verbod wordt opgelegd de transporten bestemd voor de Golfregio doorgang te laten vinden over het Belgische grondgebied, de Belgische lucht- en zeehavens, het Belgische luchtruim onder opleg van een dwangsom van 1 miljoen euro per door een Gerechtsdeurwaarder of via officiële stukken vastgestelde overtreding van het verbod.

 

60.  Verzoekers vorderen dat alle niet openbare akkoorden tussen België en de V.S.A. , zowel deze die op regeringsniveau als deze die tussen de militairen van de beide landen werden afgesloten en die betrekking hebben op de transporten door de V.S.A. van militair en ander materiaal over het Belgische grondgebied zouden worden overgelegd aan verzoekers.

 

ZO IS HET DAT,

 

TEN VERZOEKE VAN :

7.           VAN MOORTER Geert, urgentie-arts, geboren te Aalst op 10 mei 1958, Belg, wonende Vijfhuizen 8 te 9420 Erpe-Mere.

8.           MOULAERT Colette, kinderarts, geboren te Ukkel op 8 augustus 1945, Belg, wonende Chaussée de Chatelineau 31 te 6061 Montignies-sur-Sambre.

9.           SADA Mustafa, chirurg, geboren te Bagdad op 14 maart 1964, Irakees, wonende in het Al Anour ziekenhuis,Shu’ala, Bagdad, Irak en voor zover als nodig voor deze procedure woonstkiezend bij advocaat Raf Jespers, verder vermeld.

10.     COTTENIER John, bediende, geboren te Kortrijk op 17 mei 1947, Belg, wonende Rue de Heigne 43 te 6000 Charleroi.

11.     ADRIAENSENS Dirk, ambtenaar, geboren te Holsbeek op 20 oktober 1953, Belg, wonende Boureng 57 te 7864 Deux-Acren (Lessines).

12.     COLLON Michel, journalist, geboren te Ukkel op 1 september 1946, Belg, wonende Rue André Renard 37 te 4430 Ans.

 

Met als advocaten Mr Raf Jespers en Mr Jan De Lien, kantoorhoudend Sint Rochusstraat 59 te 2100 Deurne-Antwerpen, en Mr Jan Fermon, kantoorhoudend Haachtsesteenweg 276 te 1060 Brussel.

 

Ik ondergetekende, Meester :

Herman WYERS, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van Mter       Patrick JESPERS, Gerechtsdeurwaarder, verblijvende te 1050 Elsene, Paul Emile   Jansonstraat 37,

 

HEB GEDAGVAARD :

 

DE BELGISCHE STAAT, VERTEGENWOORDIGD DOOR DE HEER EERSTE MINISTER Guy           VERHOFSTADT, met kabinet gevestigd 1000 BRUSSEL 1, Wetstraat 16;                                                                                                alwaar ik het afschrift   wel             ter hand kan stellen overeenkomstig   de art. 33 tot 35 Ger.W., (voor ieder afzonderlijk),                                                                                                            aan zijn aangestelde, Mevrouw VAN KERCKHOVE Marie,                                                                                                              alzo verklaard, zodat ik dit afschrift, waarvoor   wel        wordt getekend    voor ontvangst, niet heb achtergelaten overeenkomstig art. 38 § 1 Ger.W.,

 

OM TE VERSCHIJNEN :

VOOR DE HEER VOORZITTER VAN DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, ZETELENDE IN KORT GEDING, IN HET GEWOON LOKAAL VOOR KORTE GEDINGEN,  Zaal 0.13, JUSTITIEPALEIS, POELAERTPLEIN TE 1000 BRUSSEL op vrijdag vier april 2003 om 09.30 uur;

 

TEN EINDE :

 

De vordering toelaatbaar en gegrond te horen verklaren ;

 

Bijgevolg aan gedaagde verbod op te leggen om zolang de oorlogssituatie in Irak niet is beëindigd, minstens voor een periode van drie maanden ingaand op de datum van de tussen te komen beschikking, het Belgische grondgebied, de Belgische lucht- en zeehavens, het Belgische luchtruim te laten gebruiken door de V.S.A.  en door het V.K. voor ieder transport van militaire troepen en militair materiaal, wapens, communicatiemiddelen, logistieke middelen, uitrusting of andere materiële middelen of aanverwanten die direkt of indirekt bestemd zijn voor de oorlogsvoering van de V.S.A.  en van het V.K. tegen de republiek Irak.  

 

Dat gedaagde bij gebreke aan opvolging van vermeld verbod veroordeeld wordt tot betaling aan verzoekers samen van een dwangsom van 1 miljoen euro per door een Gerechtsdeurwaarder of via officiële stukken vastgestelde inbreuk op het verbod.

 

Verder te bevelen dat binnen de vijf dagen na tussenkomst van de te vellen beschikking alle niet openbare akkoorden tussen België en de V.S.A., zowel deze die op regeringsniveau als deze die tussen de militairen van de beide landen werden afgesloten en die betrekking hebben op de transporten door de V.S.A. van militaire troepen en militair materiaal, wapens, communicatiemiddelen, logistieke middelen, uitrusting of andere materiële middelen of aanverwanten worden overgelegd aan verzoekers op straffe van het betalen van een dwangsom van 10.000 euro per dag en per akkoord dat niet wordt overgelegd.

 

Gedaagde partij zich te horen veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ;

 

De tussen te komen beschikking uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling of kantonnement ;

 

Onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkenning noch afstand, en onder uitdrukkelijk voorbehoud de vordering te vermeerderen of verminderen in de loop van het geding;

 

Eis gesteund op de wetten en gebruiken terzake, de overwegingen die voorafgaan en alle andere op tijd en stond te doen gelden en hier uitdrukkelijk voorbehouden ;

 

En opdat de gedaagde partij hiervan niet onwetend zou zijn, heb ik haar gelaten, zijnde en sprekende zoals hierboven gezegd, een afschrift van huidig exploot, onder gesloten omslag indien nodig, overeenkomstig de Wet.

 

Ten jare tweeduizend en drie, op één april.-

 

WAARVAN AKTE.

 

Kosten : tweehonderdvierentwintig euro twaalf cent --

eventueel meer de kosten van aangetekende zending(en) : € 4.21

 

VR     :  99.87                                                                 RS     :   7.04                                                                 VACB   :   9.01                                                                 REG    :  25.00                                                                 ZEG    :  10.00                                                                 UROL   :  69.50                                                                 PLZ    :   3.70                                                                 _______________                                                                 Totaal : 224.12                                                                

 

 



[1]'Many dead after Baghdad shops hit” BBC News, 26 March 2003

[2] Mark Franchetti “US Marines Turn Fire on Civilians at the Bridge of Death” The Times, 30 March 2003

[3] Michel Guerrin “J’ai vu des marines américains tuer des civils” Le Monde, April 13, 2003; Paul Eedle “The marines shot anything they considered a threat” The Financial Times Online, 10 April 2003
http://news.ft.com/s01/servlet/ContentServer?pagename=FT.com/StoryFT/FullStory&c=StoryFT&cid=1048313663741&p=1012571727092

[4] Robert Fisk  Wailing children, the wounded, the dead: victims of the day cluster bombs rained on Babylon” The Independent, 3 April 2003

Bombings kill 48 more civilians south of Baghdad” AFP, 2 April 2003

US drops new high tech cluster bomb in Iraq” (http://www.abc.net.au/news/newsitems/s823003.htm)

[5] Amnesty International, "Iraq, Looting, lawlessness and humanitarian consequences", AI INDEX: MDE 14/085/2003 11 April 2003, http://web.amnesty.org/library/Index/ENGMDE140852003

[6] Simon Jeffery “Baghdad hospital bombed” The Guardian, 2 April 2003

[7] http://www.smh.com.au/articles/2003/04/18/1050172758065.html

[8]US admits killing 'at least seven' in Mosul” The Times, 16 April 2003